Uitgebreid zoeken

Tjalie Robinson: schrijven tussen Oost en West

Met de jaren ontpopte Tjalie Robinson zich als grondlegger van de Indische erfenis in Nederland, zowel sociaal als cultureel. Dat deed hij door een eigen tijdschrift op te richten, Tong Tong ā€“ tegenwoordig Moesson geheten. Verder nam hij het initiatief tot een Indische Kunstkring en tot een Pasar Malam in de Haagse Dierentuin, een jaarlijkse markt en ontmoetingsplaats. Ook gaf hij de aanzet tot een Indische woongroep in Spanje en verenigde hij Indische migranten in de Verenigde Staten. Hij verzamelde de verhalen van mensen die geografisch en politiek het contact hadden verloren met de bron waar zij altijd uit putten. Hij gaf een stimulans aan de Indische markt en keuken, die ook buiten de eigen groep snel terrein wonnen. Hij verzamelde Indische schrijvers en kunstenaars om zich heen, in zijn blad en in zijn kunstkring. Alles bedoeld om de eigen stem luider te doen klinken. Met deze activiteiten legde hij een fundament voor het voortbestaan van een Indisch levensgevoel in Nederland - en ver daarbuiten. Die taak nam hij op zich in een tijd die gericht was op aanpassing en de nadruk legde op de Nederlandse herkomst van de koloniale migrant. Daar kwam bij dat de Indische identiteit zich moest zien te handhaven tussen de politieke zuilen van het naoorlogse Nederland. Toch meende Tjalie Robinson dat de cultuur die hem had gevormd een toekomst had buiten de kolonie. En hij bleef zoeken naar wegen om zijn erfgoed veilig te stellen.

In zijn persoon verenigde Tjalie Robinson een aantal rollen. Hij was opvoeder, maar ook journalist, schrijver en zaakwaarnemer van Indische migranten in Nederland. In de jaren dertig volgde hij een opleiding tot onderwijzer en stond hij een aantal jaren voor de klas. Tot hij als sportjournalist in dienst trad bij een bekende krant in de hoofdstad, het Bataviaasch Nieuwsblad. Aan die tijd kwam een einde door de oorlog, die hij doorbracht in drie verschillende Japanse krijgsgevangenkampen. In die tijd ontdekte hij ook zijn roeping als schrijver. Niet lang na de bevrijding volgde een aanstelling als hoofdredacteur van het militaire blad Wapenbroeders. In diezelfde tijd verschenen voor het eerst literaire verhalen van zijn hand in het culturele tijdschrift OriĆ«ntatie. Van meet af aan gebruikte hij twee pseudoniemen: Tjalie Robinson dus, en Vincent Mahieu. Onder de eerste naam publiceerde hij jaren later zijn fameuze verhalen ā€˜Piekerans van een straatslijperā€™ in twee dagbladen in IndonesiĆ«. Het waren levendige kronieken van het alledaagse bestaan in het vooroorlogse Batavia en in het naoorlogse Jakarta, die al snel in boekvorm verschenen. Hierdoor groeide hij uit tot de meest spraakmakende Indische journalist van zijn generatie.

Na zijn repatriƫring naar Nederland in 1954 wist Tjalie Robinson vrij gemakkelijk aan de slag te komen. Zo schreef hij lange columns en artikelen voor verschillende dag- en weekbladen. Ook bleef hij zijn Nederlandstalige publiek in Indonesiƫ nog jarenlang bedienen met openhartige verslagen over zijn eerste indrukken van het leven in Nederland. Ook publiceerde hij twee bundels literaire verhalen, hoewel hij zelf niet hield van termen als literator en kunstenaar. Hij had het liever gewoon over vertellingen. Met zijn bundels Tjies (1956) en Tjoek (1960) groeide hij uit tot ƩƩn van de belangrijkste Nederlandse schrijvers van zijn generatie. Hij wordt vaak in ƩƩn adem genoemd met Indische schrijvers als Edy Du Perron, Beb Vuyk, Maria Dermoƻt, Han Friedericy, Rob Nieuwenhuys, Willem Walraven en Albert Alberts. Maar bij zijn komst naar Nederland in het midden van de jaren vijftig was Tjalie Robinson vooreerst een schrijver en journalist op zoek naar werk en naar een publiek. In de Nederlandse wereld van kranten en literatuur voelde hij zich een buitenstaander. Uitgevers zetten zich volgens hem niet genoeg in voor de overzeese literatuur en boekhandelaars vond hij onverschillig reageren. Het grote publiek had al helemaal geen weet van de Indische stem. Tegelijkertijd ontmoette hij bij de honderdduizenden lotgenoten uit de voormalige kolonie ook weinig belangstelling voor de schone letteren.

Het was een ontnuchterende conclusie voor de man die met zijn bundels Indische kronieken en vertellingen het beste van zichzelf had gegeven. Hij mocht er zijn roem als schrijver aan te danken hebben, hij wilde eerst en vooral gelezen worden. De journalist in hem wilde aan de kaak stellen. Vandaar dat hij zich, zowel uit machteloosheid en frustratie als uit trots, opwierp als aanvoerder van zijn Indische gemeenschap in de verdrukking. Als Nederlandstalig schrijver uit de overzeese samenleving werd hij, zoals veel van zijn lotgenoten, bestempeld als koloniaal. Het was een hardnekkig stereotype, waarvan hij zich aanvankelijk probeerde te bevrijden. Toen dat niet lukte, begreep hij dat er maar Ć©Ć©n oplossing was: zelfbewust opkomen voor dat koloniale verleden en er getuigenis van afleggen. Tegelijkertijd realiseerde hij zich dat de Indische cultuur buiten zijn oorspronkelijke moederland mogelijk verloren ging. Daarmee kwam ook zijn bestaansrecht als schrijver die wortelde in de koloniale samenleving ter discussie te staan. Toen hij zich dat realiseerde, veranderde zijn beeld van de Indische groep als geheel. Hij vond het nodig dat hij en zijn lotgenoten zich bewust bleven van hun verleden. Vandaar dat hij het blad Tong Tong - een houten trom ā€“ oprichtte. Om ervoor te zorgen dat het Indische verleden niet verloren ging. Maar ook door het culturele Indische erfgoed te verzamelen lang voor zoiets in de mode kwam. Dat maakt hem tot Ć©Ć©n van de boeiendste schrijvers van het Nederlandse taalgebied.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM