Uitgebreid zoeken

Vluchtelingen uit voormalig Joegoslavië

De eerste migratiegolf kwam op gang na de onafhankelijkheidsverklaringen van Slovenië en Kroatië in 1991. Zo’n 80.000 Joegoslaven (voornamelijk Kroaten, Serviërs, Bosniërs) trokken naar Centraal, West- en Noord-Europa waar zij voor het grootste gedeelte werden opgevangen door familieleden die al eerder als gastarbeider waren vertrokken. Dit was ook in Nederland het geval. Vanaf de jaren ’60 en ’70 kwamen veel Joegoslaven (de etniciteit werd nog niet geregistreerd) als gastarbeider naar Nederland. Na die tijd volgden familieleden in het kader van gezinshereniging. In 1990 telde het aantal Joegoslaven in Nederland  ongeveer 20.000. Deze banden met de eerdere gastarbeiders in het nieuwe land vergemakkelijkte de integratie van de nieuwkomers. Na 1992 ontvluchtte veel Bosniërs de regio vanwege het toenemende oorlogsgeweld. Zo’n 1,2 miljoen Bosniërs (Serviërs, Kroaten en Moslims/Bosniakken) vluchtten binnen de grenzen van voormalig Joegoslavië terwijl zo’n 1,3 miljoen over de grens trokken. Duitsland nam veruit de meeste Bosniërs op (zo’n 340.000 in 1997). Nederland nam 25.000 Bosniërs op. De publieke opinie in Nederland ten aanzien van vluchtelingen uit Joegoslavië veranderde sterk door de uitzending van tv-beelden van detentiekampen in Bosnië in 1992. Hierna verklaarde de regering zich bereid om vluchtelingen op te nemen. Zo’n 3000 Bosniërs kwamen hierna op uitnodiging van de regering naar Nederland . In september van dat jaar vond de eerste actie plaats en haalden twee Nederlandse treinen zo’n 1000 vluchtelingen op uit kampen in Kroatië. Het merendeel van de vluchtelingen ondernam echter zelf de reis naar Nederland.

Beleid

De eerste vluchtelingen aan het begin van de jaren ’90 kwamen op een toeristenvisum naar Nederland en hun verblijf werd hier gedoogd. Vanaf 1992 voerde de Benelux een visumplicht voor Bosnië in waarmee de komst van vluchtelingen werd bemoeilijkt. Voor asielzoekers uit voormalig Joegoslavië werd  in Nederland een speciale regeling getroffen. Zij werden als ‘ontheemden’ aangeduid en werden buiten de asielprocedure gehouden. Dit vanwege de verwachting dat hun verblijf van tijdelijke aard zou zijn. Na 1993 begon de Nederlandse regering met de behandeling van asielverzoeken van vluchtelingen uit Bosnië. De meesten kregen een A-status (officiële toelating als vluchteling) of een VVTV (voorwaardelijke vergunning tot verblijf).  Na de Daytonakkoorden in 1995 nam het aantal nieuwe asielverzoeken af en werd het toelatingsbeleid verscherpt. De focus kwam nu meer op ondersteuning van vrijwillige terugkeer te liggen.

Na het oplaaiende geweld in Kosovo in 1998 en de daaropvolgende NAVO-bombardementen in 1999 kwam er een tweede grote vluchtelingenstroom uit voormalig Joegoslavië op gang. De Nederlandse regering zette sterk in op een verdeelsleutel voor de opvang van vluchtelingen op Europees niveau. Nederland, Duitsland en Oostenrijk stelden voor om een tijdelijke verblijfsstatus te geven aan de Kosovaarse Albanezen, terwijl landen als Frankrijk, Groot-Brittannië en Italië daar fel tegen gekant waren. Uiteindelijk kwam er in 1999 een evacuatieprogramma tot stand waarmee 92.000 Kosovaarse vluchtelingen in verschillende Europese landen werden ondergebracht. De omstandigheden waaronder deze vluchtelingen werden opgevangen verschilden per land. In sommige landen kregen vluchtelingen weliswaar een tijdelijke verblijfsvergunning, maar hadden daarmee wél de mogelijkheid om te werken (Noorwegen). In Duitsland bijvoorbeeld werd het vluchtelingen niet toegestaan om te werken. De Nederlandse regering was bereid om 2000 Kosovaarse vluchtelingen tijdelijk op te nemen.

Vluchtelingen uit Bosnië (‘ontheemden’) werden in eerste instantie gescheiden van andere asielzoekers opgevangen, voornamelijk in leegstaande kazernes en andere gebouwen. Hiervoor werden het Rode Kruis en Vluchtelingenwerk Nederland ingeschakeld. Deze laatste partij werd ingezet om particuliere opvang te regelen (thuis bij gastgezinnen). Hoewel zo’n 7.500 gastgezinnen zich meldden, bleven er na selectie en voorlichting slechts 230 over die onderdak gaven aan zo’n 600 vluchtelingen. Zowel Vluchtelingenwerk als de overheden kwamen al snel tot de conclusie dat hulp en opvang beter kon worden overgelaten aan professionele hulpverleners.

Anders dan vooraf werd gedacht bleven de meeste vluchtelingen uit Bosnië in Nederland. Dit betrof vooral vluchtelingen uit gebieden waar andere etnische groepen in de meerderheid waren en etnisch gemengde gezinnen. In 2000 kreeg een groep vluchtelingen die de val van Srebrenica hadden meegemaakt een verblijfsvergunning. Anderen moesten nog langer wachten: tussen 2007-2009 kregen ruim 3000 vluchtelingen uit voormalig Joegoslavië alsnog een pardonvergunning.

Ook bij de opvang van de groep Kosovaren meldden zich weer veel vrijwilligers. Het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) kreeg bovendien veel aanbiedingen van locaties voor opvangcentra. De bereidwilligheid om vluchtelingen uit Kosovo op te nemen was echter van korte duur. Nog in 1999 werd het verruimde visumbeleid beëindigd. De reden hiervoor was de verbeterde veiligheidssituatie in Kosovo. Direct begon de regering met een terugkeeractie. Het gevolg was dat binnen een jaar na het beëindigen van de oorlog zo’n driekwart van de Kosovaarse vluchtelingen terugkeerde


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM