Uitgebreid zoeken

Workshop Migratierecht

Tijdens het eerste deel van de workshop ging Kees Groenendijk in op de relatie tussen integratie en naturalisatiebeleid. Hij zette zijn lezing uiteen aan de hand van een drietal vragen over deze relatie:

  • Welk beleid is er in de loop van de jaren ontwikkeld op het gebied van integratie en naturalisatie?
  • Wat is het verband tussen integratie en naturalisatiebeleid?
  • Welke effecten heeft dit beleid gehad?

Waar het beleid tot eind jaren zeventig voornamelijk gebaseerd was op het idee dat immigratie een tijdelijk verschijnsel was en dat ook het verblijf van migranten enkel van tijdelijke aard was, vond er in 1979 met de publicatie van het WRR advies ‘Etnische Minderheden’ een duidelijke ommekeer plaats. De Minderhedennota uit 1983, die deels voort bouwde op het WRR advies, ging uit van het idee dat migranten zouden blijven en mochten blijven, aldus Kees Groenendijk. In de nota was voornamelijk veel aandacht voor de cultuur van migranten. ‘Integratie met behoud van eigen cultuur’ werd het uitgangspunt, dat volgens de nota een positief effect zou hebben op de sociaal-economische integratie van deze migranten.

Begin jaren negentig, echter, begon het draagvlak voor deze beleidsrichting af te nemen en werd de kritiek op het integratieproces van voornamelijk Turken en Marokkanen steeds luider. De Islam werd, na de val van de Berlijnse muur (wat het einde van het communisme als vijand betekende) en de Eerste Golfoorlog, steeds meer als de nieuwe vijand en de kern van het integratie probleem gezien. Daarnaast wordt gezinshereniging ook steeds meer gezien als problematisch voor een succesvolle integratie, daar waar het eerst gezien werd als een bijdrage aan een succesvolle immigratie.

De aanslagen op 11 september 2001 en de moord op Pim Fortuyn in 2002 leidden voornamelijk in Nederland en Denemarken tot felle anti-islam reacties. Het rapport van de Commissie Blok uit 2004, waarin werd betoogd dat de integratie van migranten grotendeels geslaagd is, maar niet dankzij het overheidsbeleid wordt door meerdere partijen ‘gediskwalificeerd’ als zijnde te slap en zonder concrete voorstellen. Er komt meer aandacht voor de Nederlandse taal, waarbij het van een private aangelegenheid naar een publieke zaak verschuift. Taal krijgt de prioriteit binnen inburgering, waar het functioneert als toegeleiding naar de arbeidsmarkt. In 2004 verschijnt dan ook de Nota Verdonk waarin, volgens Kees Groenendijk, migranten worden onderworpen aan drie verschillende ‘tests’: inburgering in land van herkomst, inburgering in Nederland en het Nederlanderschap (eerst integreren daarna een sterke rechtspositie, waarbij het Nederlanderschap als de kroon op het succesvol afleggen van alle tests wordt gezien).

Echter, langzaamaan verwordt de taaltest tot instrument voor uitsluiting. De kosten van inburgering verschuiven steeds meer van overheid naar immigrant. Kees Groenendijk vertelt hoe de inburgerings-eisen (welke kennis wordt er gevraagd?) geheimhouding kennen en hoe hierdoor het debat over de inhoud van het Nederlanderschap vermeden wordt (in tegenstelling tot Duitsland en Groot Brittannië, waar door middel van een publiek debat de test minder normatief is geworden). Hij geeft dan ook aan hoe politici geïnteresseerd zijn in de inburgeringtest als instrument voor uitsluiting en weinig interesse hebben in de inhoud.

De huidige regering wil stoppen met het financieren van inburgering en breidt tegelijk het aantal sancties dat er op rust uit. Het niet behalen van de inburgeringscursus kan het niet verlengen van een tijdelijke verblijfsvergunning (volgens Kees Groenendijk dus uitzetting) tot gevolg hebben. Daarnaast wordt het verkrijgen van het Nederlanderschap bemoeilijkt door middel van een verhoogde inkomenseis en een hoger opleidingsniveau. Dit omdat het Nederlanderschap volgens de huidige regering in toenemende mate gezien wordt als ‘consumptie artikel’. De vraag is echter of een restrictief beleid wel het gewenste effect heeft. Nederland kende tot nu toe een redelijk liberaal beleid, waardoor een groot deel van de migranten genaturaliseerd is tot Nederlander en daardoor ook goed geïntegreerd zijn (slechts 4 procent van de migranten valt hier buiten). Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld Zwitserland, dat volgens Kees Groenendijk een restrictief  naturalisatie beleid kent maar hierdoor ruim 22 procent van de bevolking uitsluit van naturalisatie, een groep migranten die dan, ironisch genoeg, ook slechter integreren.

 Kees Groenendijk sluit zijn lezing af met een opsomming van de negatieve effecten van het steeds restrictievere inburgeringsbeleid:

  • Eisen aan migranten worden steeds hoger
  • Frustratie in het beleid wat deze eisen betreft: eisen die vaak niet gehaald kunnen worden
  • Toegang tot nationaliteit is geprivatiseerd (gat in de markt voor taalinstituten)
  • Ene vorm van ongelijkheid wordt vervangen door andere vorm van ongelijkheid (zie hiervoor de dissertatie in wording van Ricky van Oers, RU)
  • ‘Catalogus’ van sancties (die een negatief effect hebben op integratie: afname van inburgeraars waar te nemen)
  • Negatief beeld over integratie van migranten en angstbeeld voor migranten: dreiging met uitzetting als examen niet wordt gehaald

Betty de Hart nam het tweede deel van de workshop voor haar rekening en gaf tekst en uitleg over het omstreden fenomeen van de dubbele nationaliteit. Ze doet hier al jaren onderzoek naar en heeft hiervoor verscheidene interviews gehouden met mensen die een dubbele/meervoudige nationaliteit bezitten. Belangrijk om te beseffen is volgens Betty de Hart, dat nationaliteit niet hetzelfde is als een paspoort. Nationaliteit is een juridische band die een burger heeft met een staat, het is een staatspraktijk. Men kan best meerdere nationaliteiten hebben zonder daar ook paspoorten van te hebben.

Hoe komt men nu aan een dubbele nationaliteit? Een dubbele nationaliteit kan men verkrijgen door middel van naturalisatie (bijv. een Marokkaans naturaliseert zich tot Nederlander maar kan de Marokkaanse nationaliteit niet opgeven) en door geboorte op anders grondgebied (Betty de Hart gaf het voorbeeld van een Mexicaanse vader en Chileense moeder die in Amerika een kind krijgen, waardoor het kind drie nationaliteiten verkrijgt).

Betty de Hart liet zien hoe de huidige discussie omtrent de dubbele nationaliteit ‘niets nieuws onder de zon is’. Al in 1860 uitte de toenmalige minister van Justitie Godefroi zijn zorgen over dubbele nationaliteiten en de daaraan voor hem verbonden loyaliteitskwestie. Deze zelfde argumentatie vindt nu plaats in het huidige debat, waarbij tegenstanders van dubbele nationaliteit  ook nu wijzen op een dubbele loyaliteit, maar ook op dubbele rechten en op de belemmerende werking ervan op integratie. Betty de Hart toonde echter aan dat deze argumenten ook omgedraaid kunnen worden en op deze manier ook gebruikt worden door voorstanders in het huidige debat. Ze betoogde dat uit haar onderzoek dan ook blijkt dat uit een dubbele nationaliteit niets valt af te leiden wat betreft integratie, loyaliteit en identiteit.

Dr. Betty de Hart, verbonden aan het Centrum voor Migratierecht, gaf op 28 november 2010 een workshop over het hebben van een dubbele nationaliteit in Nederland. Deze workhop stond in het kader van de jaarlijkse bijeenkomst van het Centrum voor de Geschiedenis van Migranten en de lancering van de website www.vijfeeuwenmigratie.nl.

Zie hieronder de powerpointpresentatie


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM