Uitgebreid zoeken

Zeelui uit China

In het begin van de 20ste eeuw kwam een kleine groep Chinezen naar Nederland. Het waren vooral zeemannen die in Rotterdam en Amsterdam aan wal gingen. Daar wachtten ze tot zij weer konden aanmonsteren op een schip. Zo ontstonden Chinese wijken, kleine Chinatowns, waar het verloop van de Chinese bewoners wel groot was. Een klein deel vestigde zich permanent, zoals pensionhouders, winkeliers en kappers. Een deel van de Chinese migranten kwam van Engelse scheepvaartmaatschappijen. Anderen werkten op de handelsschepen die tussen Nederland en Nederlands-Indië voeren. De meerderheid kwam uit de provincies Guangdong en Fuijan, in het zuidoosten van China.

De meeste Chinezen bleven maar kort in Nederland en wachtten hier op hun volgende schip. De vreemdelingenpolitie stond dit toe, hoewel de Chinezen vaak geen visum hadden en met meerdere bemanningsleden één paspoort deelden. Meer moeite had de politie met Chinezen die zich permanent vestigden in Nederlandse steden als logementhouder of koppelbaas, genaamd shippingmaster. Nederlandse stoomvaartmaatschappijen namen het op zich ongewenste personen als opiumsmokkelaars en communisten in Azië van de boot af te zetten. In de jaren '30 werd het vreemdelingenbeleid aangescherpt. Chinezen kregen net als andere buitenlandse werknemers moeilijker toegang tot de arbeidsmarkt. Bovendien werden Chinezen apart geregistreerd om ze beter in de gaten te kunnen houden vanwege hun gokgedrag en hun opiumgebruik.

Begin jaren '30 liep de werkloosheid onder Chinese zeemannen op. Door de wereldwijde crisis stortte de vrachtvaart in. Bovendien waren de Chinese kolentremmers en stokers steeds minder nodig omdat schepen overgingen op olie in plaats van kolen. Steeds meer zeemannen bleven in Rotterdam en Amsterdam hangen en raakten diep in de schulden. Chinese mannen vonden een nieuwe inkomstenbron: de verkoop van pindakoekjes, teng-teng. Chinese ‘pindamannen’ verkochten in heel Nederland hun koekjes maar vanwege de steeds uitbreidende crisis daalden de inkomsten. Een klein aantal Chinezen opende een restaurantje. Na de Tweede Wereldoorlog zou dat zich aanzienlijk uitbreiden. Maar Chinezen trokken ook weg uit Nederland. Halverwege de jaren '30 was de Chinese gemeenschap geslonken. In 1936 woonden nog 2100 Chinezen in Nederland.

Niet alle Chinezen stortten zich op de verkoop van pindakoekjes. Ook openden zij restaurants of zij handelden en verkochten allerlei koopwaar, bijvoorbeeld vis , zoals op deze afbeelding is te zien (op de Nieuwmarkt te Amsterdam, jaren ’30. Collectie SpaaNiet alle Chinezen stortten zich op de verkoop van pindakoekjes. Ook openden zij restaurants of zij handelden en verkochten allerlei koopwaar, bijvoorbeeld vis , zoals op deze afbeelding is te zien (op de Nieuwmarkt te Amsterdam, jaren ’30. Collectie Spaa

Chinese shippingmasters waren belangrijke bemiddelaars tussen de Nederlandse stoomvaartmaatschappijen en de Chinese arbeiders. Deze shippingmasters waren in dienst van een rederij. Als de rederij arbeidskrachten nodig had, ging de shippingmaster aan de slag. Als de Rotterdamse Lloyd bijvoorbeeld stokers wilde, stelde hij een hoofdstoker aan, de number one, en een stokersploeg van ongeveer 25 man. De shippingmaster zorgde ervoor dat de hele ploeg uit dezelfde regio kwam en dezelfde taal sprak zodat de ploeg goed kon samenwerken in de stookkamer van het schip. Voor iedere aangenomen stoker kreeg de master geld, van zowel de Lloyd als van de stokers zelf. Maar als een stoker ziek werd, draaide de master ervoor op. Vaak was de shippingmaster ook eigenaar van een logement. Daarmee waren de Chinezen niet alleen voor werk maar ook voor onderdak van hem afhankelijk.

Aan wal verbleven Chinese zeemannen in logementen. Deze onderkomens waren in handen van Chinezen. De gemeente Rotterdam inspecteerde de huizen en constateerde dat men 'in de gewone burgerwoningen in de kamer en alkoven tweehoog stellingen heeft aangebracht, de eerste vijftig á zestig centimeter boven den vloer, de tweede ruim een meter hoger. Op deze wijze zijn in een kleine kamer met alkoof veertig tot vijftig mensen ondergebracht. Overal hangt een weeë zoete lucht van het opiumsnuiven. Hier en daar hangen gedroogde visschen en gedroogde eenden.' Chinese logementhuizen stonden in buurten waar vooral Chinezen zich ophielden. In 1918 ontstonden twee kleine Chinezenbuurten; in de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt en in het Rotterdamse Katendrecht.

De Chinese zeelui die als gevolg van de wereldwijde crisis na 1930 werkloos werden, hadden het zwaar. Zij kregen geen steun van de gemeente. Uit medelijden werden in veel Nederlandse steden en dorpen door particulieren Chinezencomités opgericht. In Leiden bijvoorbeeld besloten een aantal docenten van de Leidse universiteit, een Chinese student, een notaris en een bankdirecteur in december 1932 een comité op te richten om de Chinezen niet langer in de kou te laten staan: ’Men heeft ze zelfs wel ontdekt bij de Kwaakbrug liggende onder een afdakje midden in den nacht en dat in dit jaargetijde. Het zijn behoorlijk levende menschen die met Oostersch fatalisme hun lot gelaten ondergaan en zij zijn zeer dankbaar voor elk blijk van medeleven.' Vanaf 1933 maakte het medelijden plaats voor onverschilligheid: veel Chinezencomités werden opgeheven.

Chinezen richtten zelf organisaties op, zoals Chung Hwa Hui, een vereniging die Chinese studenten in 1911 opgerichtten. Oostenwind was hun verenigingsblad. Collectie Internationaal Instituut voor Sociale GeschiedenisChinezen richtten zelf organisaties op, zoals Chung Hwa Hui, een vereniging die Chinese studenten in 1911 opgerichtten. Oostenwind was hun verenigingsblad. Collectie Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis

 

 

 

In de jaren '20 had de Nederlandse bevolking een negatief beeld van Chinezen. Ze zouden onbetrouwbaar en leugenachtig zijn en opium smokkelen. Nederlanders wisten niets van Chinezen omdat zij afgezonderd in hun ‘mysterieuze’ wijken woonden. Chinezen spraken geen Nederlands, Vakbonden wakkerden de anti-Chinese houding aan en kantten zich fel tegen de komst van Chinese zeelui naar Nederland. Chinese stokers werkten voor minder geld dan Nederlandse arbeiders. De vakbonden waren bang dat Nederlandse zeelui daardoor werkloos zouden raken. In de jaren '30 veranderde de situatie. Door de hoge werkloosheid en armoede waren de Chinezen gedwongen uit hun isolement te treden. De Nederlandse bevolking ondervond dat de ‘pinda-Chinezen’ vriendelijke en hardwerkende mensen waren. Bovendien verschenen her en der Chinese restaurants waardoor de bevolking meer vertrouwd raakte met Chinezen en hun cultuur.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM