Uitgebreid zoeken

woonwagenbewoners

Beukbergen, nu een van de grootste woonwagencentra van Europa, was ooit niet meer dan een kluitje wagens langs de kant van de weg. Een pleisterplaats voor scharen-slijpers, stoelenmatters, venters, kermisexploitanten, muzikanten, aardappelrooiers, uienrapers en kersenplukkers. Mensen met beroepen die een reizend bestaan noodzakelijk maakten, en voor wie reizen een manier van leven werd.

Vanaf de jaren zestig veranderde het woonwagenleven. Steeds vaker stond men al dan niet vrijwillig op een vaste standplaats, al bleven velen met een caravan reizen om de kost te verdienen. Beukbergen groeide ondertussen tegen de klippen op, zelfs toen de overheid in de jaren zeventig opsplitsing voorschreef van de grote kampen die in de jaren vijftig en zestig wet waren geworden.

De Beukbergers verzetten zich tegen opsplitsing. Hun familie en groepsbanden, de basis van hun leven en overleven, wilden ze niet opgeven. Ze zijn tot de dag van vandaag bij elkaar gebleven.
Nu staan ze, samen met overheid en samenleving, voor de opgave om met behoud van eigenheid een wijk van Zeist te worden.

De auteur van het boek Beukbergen. Een geschiedenis van woonwagenbewoners, Liesbeth Sluiter schreef: Anders dan migranten zijn woonwagenbewoners geen landverhuizers. Ze hebben nooit een eigen land verruild voor een nieuw, in de hoop op betere economische vooruitzichten of op de vlucht voor politieke vervolging. Toch vind je, als je in hun geschiedenis duikt, merkwaardige overeenkomsten.
Er zijn in Nederland woonwagenbewoners sinds het eind van de negentiende eeuw. Ze verdienden de kost met werk waarvoor ze moesten reizen zoals stoelen matten, scharen slijpen, venten, muziek maken, aardappels rooien en kersen plukken. Toen er wegen kwamen die steden en dorpen met elkaar verbonden, verschenen daarop ook de eerste woonwagens waarin de reizigers hun gezinnen konden meenemen. Wel zo gezellig, en bovendien extra handen om uit de mouwen te steken.

De gevestigde bevolking trad hen in de eerste helft van de twintigste eeuw niet altijd even welwillend tegemoet. Het mogelijke beroep van woonwagenbewoners op gemeentelijke armenkassen, hun paarden die het bermgras voor de voeten van het dorpsvee wegmaaiden, hun kinderen die velden afstruinden op knolletjes in plaats van op school te leren over god en gebod, en last but not least hun ongrijpbaarheid – alles droeg bij tot een onzichtbare maar goed voelbare afrastering tussen de woonwagenbewoners enerzijds, burgers anderzijds. Toch maakten de reizigers ook deel uit van het economische weefsel van de samenleving. Ze functioneerden als rijdende winkels en recyclebedrijfjes avant-la-lettre, ze waren de ambachtslui aan huis, ze zorgden dat gewassen op tijd van het veld kwamen, brachten vertier in dorpskroegen en op stadspleinen. De contacten tussen burgers en woonwagenbewoners waren dan ook niet altijd slecht.

Pas toen de overheid de reizigers in de jaren zestig dwong vast op grote verzamelkampen te staan waardoor ze hun klanten en hun werk verloren, groeide de afrastering uit tot een betonnen muur, voorzien van prikkeldraad en slagboom. Angst en wantrouwen van burgers groeiden op het krachtvoer dat ze kregen toegediend: woonwagenbewoners werden in grote getale uitkeringsafhankelijk, sommigen zochten bijverdiensten in illegale circuits, de groep als geheel keerde zich sterker naar binnen dan voorheen. Misstappen van individuen werden zonder aanzien des persoons allen aangerekend, mede omdat woonwagenbewoners niet bereid waren boosdoeners uit te leveren aan een niet-erkende overheid. De gevolgen dreunen door tot op heden, getuige de betrokkenheid van een aantal woonwagenbewoners bij de grootschalige wietteelt en daarmee samenhangende misdaad in Brabant. Getuige óók de sociale en psychische gevolgen voor woonwagenbewoners, van wie velen zich buiten de eigen groep tot in de grond onzeker en minderwaardig voelen.

En zie daar, het recept voor het lot dat woonwagenbewoners en migranten gemeenschappelijk treft: een onsje er-niet-bij-horen, een half pond vooroordelen, een heel pond splijtend overheidsbeleid, een kilo ontbrekende werkperspectieven. Flink klutsen, kruiden met hijgerige media, en de soufflé van uitsluiting, stigmatisering, criminaliteit en sociaal-psychische schade rijst de pan uit.
Zelfs als de overheid bereid is te investeren in opleiding, werk en een respectvoller beleid zal het nog wel even duren voor de samenleving van deze voedselvergiftiging is genezen.

Meer weten? Beukbergen - een geschiedenis van woonwagenbewoners


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM