Uitgebreid zoeken

1920. Noodlijdend Oostenrijk.

1920. Noodlijdend Oostenrijk

Op 15 februari 1913 wordt Leopoldine (Poldi) Schallhofer in een Oostenrijks arbeidersgezin in Wenen geboren. Haar vader en moeder kunnen tijdens en na de oorlog maar met moeite het hoofd boven water houden. De situatie in Oostenrijk is ellendig. Het land is één van de verliezers van de Eerste Wereldoorlog en heeft veel grondgebied verloren aan buurlanden. Mede hierdoor ontstaat er een grote voedselschaarste en die eist zijn tol. Dodelijke ziektes zijn aan de orde van de dag.

 Poldi’s enige zusje Josefine, dat in april 1916 wordt geboren, sterft al op tweejarige leeftijd in mei 1918 aan dysenterie. Poldi is meestal op straat te vinden. Op school staat zij bekend als weliswaar de armste, maar ook de beste leerlinge van de klas. In februari 1920 slaat het noodlot weer toe; vijf dagen voor haar zevende verjaardag verliest Poldi haar moeder aan de griep en tien dagen nadien verliest zij ook haar vader aan longtuberculose. De dood van haar ouders komt haar bij toeval ter ore. Als zij met haar tante Mali op straat loopt en een toevallige voorbijganger haar tante naar haar ouders vraagt hoort zij haar tante tegen de voorbijganger zeggen dat ze beiden overleden zijn. Hoelang ze dan al dood zijn? Poldi heeft geen idee. Ze weet wel dat ze volledig in paniek raakt en heel hard gaat gillen.

Haar opa Wenzel en tante Mali, vader en zus van haar moeder Anna, nemen Poldi op in hun huishouden. De stille catastrofe duurt voort. Droefenis, armoede en koude.

In de winter van 1920/1921 doet zich een uitweg voor. Op initiatief van Het Algemeen Nederlandsch Comité voor Oostenrijk (ANCO) wordt een hulpactie op touw gezet. Het comité doet een beroep op de barmhartigheid van pleegouders om een vakantie voor Oostenrijkse kinderen aan te bieden opdat zij aan kunnen sterken. De kinderen zijn ondervoed en sterk verzwakt. Een tweede noodoproep op 13 december 1920 in de maandagavondeditie van Het Vaderland doet het kinderloze echtpaar Coen en Marie Breek besluiten zich op te geven als pleegouders. Zij wensen een meisje.

In de brief die Coen Breek op 30 maart 1921 krijgt van Het Haagsch Comité tot steunverlening aan Noodlijdend Oostenrijk (onderdeel van het ANCO) staat het volgende: Het comité heeft de eer U mede te deelen, dat het door U aangevraagde kind hoogst waarschijnlijk 2 April aan zal komen. Het comité verzoekt U beleefd het kind te willen afhalen STAATSSPOOR STATION, wachtkamer 3e klasse 1 ½ uur. Gelieve dezen brief mede te brengen, daar zonder brief het kind niet wordt afgegeven. (Ondanks alle goede bedoelingen van het Comité en de brief in 1921 plaatsend, ontkom ik niet aan de gedachte dat het hier gaat om het afhalen van een postpakketje).

In het voorjaar van 1921, waarschijnlijk op 2 april, arriveert weer een trein met Weense bleekneusjes in de onbekende stad Den Haag. Poldi krijgt een kaart om haar nek gehangen. Er staat een vreemde naam in blokletters op, de naam van mensen die zij nog nooit heeft gezien. Buiten de trein proberen onbekende mensen de namen op de kaarten te lezen. Poldi stapt uit de trein, kijkt rond en loopt vervolgens recht op Coen Breek af. Coen op zijn beurt ziet Poldi uit de trein komen en weet ‘dat is ze’.

De ruim drie kilometer lange wandeling naar ‘huis’ wordt ingezet. Van het Staatsspoorstation naar het Spui. De te kleine en kapotte schoenen worden ingeruild voor nieuwe. De beugels, het kwalijke gevolg van Engelse ziekte, trekken aan haar benen. Onderweg wordt er gepauzeerd bij een vriendelijke dame op de Lange Beestenmarkt; de moeder van Coen serveert een goedgevulde soep. Zo overweldigend heerlijk dat de kleine Poldi in tranen uitbarst als de tocht naar de Kockstraat vervolgd wordt. Nog in Wenen heeft Opa Wenzel tegen haar gezegd ‘Als je het daar goed hebt, dan moet je daar blijven’. En nu moet ze weer weg van deze goede ‘oma’.

De taalbarrière zorgt meermaals voor veel stress en onduidelijkheid. De vraag naar een ‘Bleistift’ doet de hersens in Den Haag kraken maar Coen en Marie komen er niet uit. Dan maar niet tekenen. Coen en Marie spreken geen woord Duits, Poldi geen woord Nederlands. Ondanks deze taalbarrière en haar verzwakte toestand, Poldi heeft al een jaar lang een openbuikwond na een blindedarmoperatie, voelt Poldi zich snel redelijk gelukkig. De vriendelijkheid, de rijkelijke hoeveelheid eten en de nieuwe kleren die zij krijgt van Coen en Marie zijn belangrijk en versterkend. Poldi krijgt de Nederlandse taal snel onder de knie.

 Al spoedig is het echtpaar Breek voornemens om een adoptieverzoek in te dienen. De Nederlandse regering kent in deze tijd echter nog geen adoptie. Het is wel mogelijk om de voogdij over te nemen van opa Wenzel in Wenen, mits hij daar toestemming voor geeft.

Tot groot verdriet van Mali stemt Wenzel toe. Hij is zelf al oud en ziekelijk en ziet geen toekomst in het opvoeden van Poldi. Hij overlijdt in mei 1923. Mali wil wel graag voor de dochter van haar overleden zus zorgen maar is een ongehuwde vrouw. Dit feit en een kind opvoeden is niet te vereenzelvigen. Hetzelfde geldt voor een andere ongetrouwde zus, tante Helene. Deze in Zwitserland wonende tante doet in 1922, inmiddels getrouwd, nog een poging om Poldi mee naar Zwitserland te nemen. Marie Breek gaat onbedaarlijk huilen als zij verneemt over het mogelijke vertrek van Poldi. Poldi, verteerd door schuldgevoelens durft niet meer aan te geven dat ze met haar tante uit Zwitserland mee zou willen gaan. En ach, ze heeft het in Den Haag ook goed.

Op 5 oktober 1923 wordt het voogdijschap over Poldi officieel overgedragen aan Coen Breek; ze blijft definitief in Nederland. Poldi, mijn oma, nog maar een klein meisje en al een heel leven geleefd.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM