Uitgebreid zoeken

ARBEIDSMIGRATIE (column)

ARBEIDSMIGRATIE

Het meest heeft me geraakt de opmerking van een personeelschef die zich verdedigde, omdat zijn bedrijf te weinig buitenlanders in dienst had. "Het bedrijfsklimaat is niet migrantvriendelijk", zei hij, "we doen ons best. Binnenkort gaan we lezingen organiseren over: 'je naaste collega kan een migrant zijn.' Er zijn weerstanden en die moeten we zien weg te werken."  

‘Ik moest even terug denken aan de roerige jaren zestig toen Nederland het knooppunt van de arbeidsmigratie was. Het was komen en gaan, vooral vanuit Belgie en Duitsland. Hoog Catharijne had het centrum van Utrecht nog niet verminkt. We verzamelden ons in de grote stationshal. Het was voor ons een soort ontmoetingscentrum en banenmarkt tegelijk. Daar werd informatie uitgewisseld over de fabrieken en de pensions. De nieuwkomers wisten dat ze "de ouden" daar konden vinden. Voor de koffie gingen we naar de tweede klas restauratie (in de eerste klas mochten we niet). Aan de overkant, bij Du Commerce, werkte een Griekse ober, de enige Griek die een schoon beroep had. Bij hem konden we namen van fabrieken krijgen die gastarbeiders aannamen zonder verblijfsvergunning.’

Kostas was een nieuwkomer, hij had het meteen door dat we Grieken waren. Hij kwam bij ons zitten. Zijn ogen waren rood van vermoeidheid. De afgelopen nacht had hij weinig geslapen. Hij was op zoek naar werk. "Ik hoorde dat in Utrecht veel Grieken zijn en dat hier makkelijk werk te vinden is", zei hij. Kostas was de zoveelste die de Belgische mijnen ontvlucht was op zoek naar veilig werk. Hij vertrok met een contract uit Griekenland naar Belgie, samen met zijn nicht. Drie maanden hield hij het vol.

Bij DEMKA kon je zo beginnen. Samen liepen we tot de Catharijnesingel waar je de fabrieksschoorstenen kon zien. Onderweg heb ik hem zijn eerste Nederlandse woord geleerd: werken.

Naar de vreemdelingendienst en naar het arbeidsbureau hoefde hij niet. De baas zou voor de papieren zorgen. Kostas heeft werk en vergunningen gekregen. Hij was erg enthousiast, de eerste vieze woorden had hij al geleerd en zijn Nederlandse kollega's deden al de eerste syrtaki-stappen. Maar vele anderen werden tien jaar later het land uitgezet. De baas had niet voor de juiste papieren gezorgd.

Petros werkte ook bij DEMKA, maar hij kwam nooit bij de stationsrestauratie. Hij had een goudmijn ontdekt. De Grieken wilden de Belgische mijnen ontvluchten en zijn baas betaalde 100 gulden per stuk voor iedere werknemer. Met een Volkswagen ging hij naar Luik en zocht de Grieken op in de kroegen. Voor vijfduizend franc kon hij zorgen voor werk in Holland en 1 nacht slapen. Soms ging de baas ook mee. De contracten werden in de kroeg getekend. Een paar jaar later dwong Belgie via de rechter DEMKA af te stoppen met het ronselen van "haar" gastarbeiders.

Vijfentwintig jaar later: het grootste deel van de Catharijnesingel is gedempt en Hoog Catharijne heeft de oude stationshal vervangen. De kinderen van Kostas, Petros en van veel Mohamed's en Mehmet's verzamelen zich doelloos in Hoog Catharijne om er hun dag door te brengen. Naar werk zoeken ze niet. De fabrieken hebben geen ongeschoolde arbeiders meer nodig.

DEMKA is gesloten. Ik kwam Kostas laatst tegen. Hij is nu tien jaar werkloos en heeft een versleten rug. Hij is in Nederland gebleven voor zijn kinderen. Hij heeft het niet gered, maar hij hoopte dat zijn kinderen gaan studeren.

Met Petros gaat het beter. Hij heeft een andere baan gevonden: een eigen restaurant, waar illegale koks en obers werken die in Griekenland geronseld zijn. Ze hopen ook snel rijk te worden en van de verworvenheden van Europa 1992 te genieten.

Auteur: Dimitris Giannakos,

Utrechts Nieuwsblad, 20 mei 1989.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM