Uitgebreid zoeken

Opa vertelt over de Tweede Wereldoorlog in Indonesië

Dit verhaal is in 2008 door mij opgetekend uit de mond van mijn opa, vertellende voor een een klas met leerlingen uit groep 8 van de basisschool. Het zijn zijn woorden, daarmee deelt hij zijn verhaal met ons.

In Indonesië kreeg hij thuis les, want er waren slechts weinig scholen. Eerst doorliep hij de zeven klassen van de lagere school, daarna was er toelating tot de middelbare school en vervolgens de HBS, die vijf jaar duurde. De lessen vonden plaats van 07:00 uur ‘s ochtends tot 13:00 uur ‘s middags. De kinderen mochten dan niet praten.

De verbindingen tussen Indonesië en Nederland waren slecht in 1941. In dat jaar, in mei of in juni, deed hij eindexamen en trad daarna net als alle jongens van de HBS direct in dienst – er gold toen dienstplicht. Na een paar maanden vond er een schifting plaats tussen degenen die bleven en degenen die niet bleven. Op 7 december van dat zelfde jaar verklaarde Nederland Japan de oorlog; vlak daarna werd Pearl Harbour gebombardeerd.

Hij had nog maar een net uniform, en toen begon het. Zelf nog maar vier maanden in dienst leidde hij al nieuwe rekruten op. Malakka raakte bezet. Soldaten uit Groot-Brittannië werden aldaar in stukken gehakt – een hele vloot was uitgerukt.

Toen volgde de grote landing op Java. Het leger was ingericht en voorbereid op een (potentiële) binnenlandse vijand. Niet op oorlog. Wapens en dergelijke kwamen binnen via de Verenigde Staten en niet via Nederland, want de tendens daar was die van pacifisme.

Zijn opleidingeenheid werd ingezet als tactische reserve, in (de buurt van) de theetuinen van noord Bandung. Het waren onschuldige jongentjes met dienstplicht, waar opeens op werd geschoten. Van 1 tot en met 7 maart was er geen eten. Er vielen veel doden, en uiteindelijk werd er gecapituleerd.

Daarna is hij, al slapend, terug gelopen naar Bandung, naar de kazerne. Hij leverde zijn wapens in. Er was geen eten. Er was niks meer. Toen kwamen de Japanners binnen, die hij daarvoor alleen nog maar voorbij had zien flitsen in / gedurende de stelling van 1 tot en met 7 maart.

Nu de Japanners er waren, was er geen orde en netheid meer.

Zijn eigen kazerne was nu een kamp geworden.

De Japanners waren kleine mannetjes met petjes en bajonetten. De officiers droegen grote laarzen; de soldaten teenschoenen en bindsels – meer zag je niet.

Er golden kledingvoorschriften. Zo werden er – in verband met meisjes – geen shorts meer gedragen.

En dan het eten, het scheiden van mensen: de Hollanders links, het gemengde bloed rechts. Hij zat toen met zijn vader, en was negentien jaar oud. Zij moesten uit elkaar, maar vader weigerde. De betreffende soldaat stond toen toe dat ze samen bleven, dat was geen probleem.

Er volgde een nieuw kamp. Iedereen ging er door de hekken heen. De Jappanners hebben toen om een voorbeeld te stellen drie mannen aan het prikkeldraad langzaam afgemaakt met bajonetten. Iedereen werd gedwongen om te kijken. Dit was in of december of januari, 1942. Eén goed voorbeeld, dat werkte.

Er was ook een lichamelijke keuring.

Met goederenwagens, waarin moest worden gestaan, soms gezeten, werd hij met velen naar Batavia vervoerd, om te schepen.

In het schip zat men vier tot vijf rijen boven elkaar; er was geen ruimte, en slechts af en toe te eten. Het toilet was bovendeks en bestond uit hangruimtes langs de reling.

Na vier dagen bereikten ze Singapore.

In Singapore kon hij uitwaaien. Hij deed corvee in de haven, zoals het opruimen na een brand. Na een paar maanden in de groep, werd iedereen weer in wagons gesleept.

Ze gingen naar Siam (Thailand), naar het beginpunt van de spoorlijn. Daarvandaan moesten ze lopen naar het eerste kamp.

Het bleek een ploegendienst. Ze moesten dijken maken voor langs het spoor. Ze tilden zoveel kuub per man per dag. De dijken werden steeds hoger. Tussen het werk door keerden ze naar het kamp terug, dat circa een kilometer verderop lag.

Tussen het kamp en de spoorlijn werden rijst, groenten, varken verscheept. Maar hoe verder de kampen lagen, hoe minder eten er was. Af en toe gingen ze verder naar een volgend kamp.

Opeens werd zijn groep  opgepakt en moesten ze honderd kilometer lopen met alle spullen, inclusief hele grote wokpannen. Ze moesten opschieten. Het doel was een rijweg te maken. Ze hielpen elkaar. Het was zo zwaar dat ze onderweg soms spullen moesten weggooien, hoewel de spullen nog nodig waren.

Er was te weinig eten.

Zonder schoenen kreeg je zweren, want je liep steeds over rotsige bodem. En er waren geen medicijnen of spullen, dus als je zweren kreeg moesten je benen uiteindelijk worden afgezet.

Met mazzel raakten ze in de buurt van een kampong (een dorp) om spullen of eten te ruilen – of te stelen. Dat was riskant. Er verdwenen jongens.

Ze kwamen steeds hoger en het werd steeds zwaarder. Mensen overleden – en dat moest je zelf regelen. Op een gegeven moment waren er te veel doden. Ze waren met stapel doden op stap.

Hollanders, Engelsen, Amerikanen, Australiërs en zo’n tweehonderd duizend Indonesiërs werden van elkaar gescheiden.

Ze hebben een Indonesisch kamp in brand moeten steken vanwege de cholera.

Dit alles duurde tot oktober 1943 – dat was de deadline voor de Japanners. Als je niet kon lopen, moest je kruipen. Maar er was steeds minder kracht. De artsen konden niks doen.

Ze moesten steentjes maken van grote stenen. En toen de spoorlijn af was moesten ze hout kappen van enorme woudreuzen.

De Japanners waren en dachten erg anders. Zo sloeg de hogere officier de lagere officier, zonder dat de lagere een reactie gaf.

Voor straf werd je opgehangen in een kooi, terwijl het dertig graden was, dagen lang. Je kreeg dan een heel klein beetje eten, en drinken. Dat was de allerergste straf. Slaan, dat was normaal.

Tegen het einde van de oorlog werd iedereen verdeeld over kampen. Hij zat vrij noordelijk, met tweehonderd man. Dat was vlakbij de spoorlijn die regelmatig werd beschoten door de geallieerden. Keer op keer moesten hij en de medegevangenen het gebied van de spoorlijn oversteken, met zware zakken.

In augustus 1945 kwam de bevrijding. De bewaking deed niks meer.

Hij zag twee stipjes aankomen: een geallieerde sergeant en een majoor. De ongeveer dertig Japanners bogen hun hoofd.

En wat doe je dan als je vrij bent...? (De Engelsen, bijvoorbeeld, die dronken zich dood.)...

Vrouwen uit Java kwamen naar Thailand, om te wachten op hun man.

In Indonesië werd toen al een vrijheidstrijd gevoerd; op Java werd er weer oorlog gevoerd. De krijgsgevangen Japanse kampbewakers waren er om de orde te handhaven. Want er voeren geen schepen.

Tot 1946 werkte hij in de bevoorrading. Toen ging hij terug naar Java. In 1950 keerde hij naar Nederland terug. Tot 1977 (met 55 jaar) zat hij in het leger.


MondriaanstichtingVSB-fondsSNS ReaalPrins Bernard CultuurfondsOC&WVROM