Periode

1945-heden

Het aantal migranten in Nederland nam in de tweede helft van de 20ste eeuw sterk toe. Aan het eind van de eeuw lag het aandeel van migranten in de bevolking zelfs weer op het niveau van de Republiek in de zeventiende eeuw. Uit de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog verrees een zeer welvarend Nederland, dat veel migranten aantrok. De migranten kwamen uit andere landen dan in vroegere perioden. Weliswaar vormden Duitsers, net als voorheen, lange tijd de belangrijkste groep migranten, maar na 1960 vormde hun aantal nog maar een fractie van de grote groep vreemdelingen in Nederland. De economische groei in het Westen trok veel arbeidsmigranten aan. Zij kwamen eerst overwegend uit Europese landen, daarna van buiten Europa. Goedkope en makkelijke transportverbindingen droegen hieraan bij. Door de onafhankelijkheid van de koloniën in Oost en West kwamen veel migranten uit die delen van de wereld naar Nederland. Politieke vluchtelingen kwamen eveneens uit alle delen van de wereld. De ontwikkeling en uitbreiding van de Europese Unie leidden tot de komst van inwoners van andere lidstaten.

Ahmed Alouani (tweede van rechts) was in 1964 in de Limburgse mijnen gaan werken

Gastarbeiders uit Marokko

Tijdens de tweede helft van de twintigste eeuw migreerden zo’n 170.000 Marokkanen naar Nederland. Deze migratie begon in de jaren 1960 en bestond oorspronkelijk uit jonge mannen die in Nederland knelpuntberoepen uitoefenden. Marokkaanse arbeiders werkten bijvoorbeeld in de mijnbouw of de staalindustrie.

 

Officiële werving en spontane migratie 

Marokkaanse migranten maakten deel uit van de zogenaamde gastarbeidermigratie. Ze werden geworven om werk te doen dat Nederlanders niet langer wilden doen of waarvoor te weinig aanbod was. Het idee was  dat ze na afloop van hun arbeidscontract zouden terugkeren naar Marokko. In tegenstelling tot de Turkse en de Italiaanse gastarbeidermigratie begon de officiële werving van Marokkanen relatief laat. Pas in 1969 sloot Nederland een wervingsakkoord met Marokko. Dat akkoord zou al in 1973 opgeheven worden als gevolg van de oliecrisis en de economische moeilijkheden die daarmee gepaard gingen.

Slechts 4000 Marokkaanse gastarbeiders zijn via die officiële weg gekomen. Zij maakten een bescheiden deel uit van het totale aantal landgenoten dat in 1973 in Nederland woonde. Naast de officiële werving was er een grotere beweging van spontane arbeidsmigratie die al in de vroege jaren 1960 begon. Nederlandse werkgevers wierven Marokkaanse gastarbeiders door een beroep te doen op het sociale netwerk van reeds aanwezige Marokkanen. Terwijl de officiële werving zich voornamelijk richtte op grote steden zoals Agadir, Tetouan en Fes, kwam de spontane migratie vóór 1969 overwegend uit het rurale Rif-gebied en de Sous. De bevolking van deze gebieden had namelijk  zwaar geleden onder het Franse en Spaanse protectoraat (1912-1956) en ging op zoek naar een betere toekomst elders.

Vestiging en gezinshereniging

Zowel de bedrijven als de overheid probeerden jonge, ongehuwde mannen te interesseren om in Nederland te gaan werken. Zij konden samen ondergebracht worden in goedkope pensions en zouden minder druk uitoefenen op de reeds krappe woningmarkt. Marokkaanse arbeiders kwamen voornamelijk terecht in de Limburgse mijnstreek, de industriegebieden rond Twente en grote steden als Den Haag, Rotterdam, Amsterdam en Utrecht. Daar vonden ze een sociaal netwerk om op terug te vallen en meer dan genoeg werk. In tijden van grote arbeidstekorten hoefden werknemers zich ook zeker niet van alles te laten welgevallen. Als het werk hun tegenstond, namen ze ontslag en probeerden ze het elders.

In 1973 kwam er een plotseling einde aan de werving van Marokkaanse arbeidsmigranten. In tegenstelling tot de verwachtingen van de Nederlandse overheid keerden de meeste ‘gastarbeiders’ niet terug naar Marokko. Daar was de politieke en economische situatie immers zeer instabiel, waardoor de kans op een goede baan klein was. Bovendien hadden de Marokkanen sociale en juridische rechten opgebouwd en een netwerk uitgebouwd in Nederland. Tussen 1973 en 1989 kregen de meeste arbeidsmigranten een arbeids- en verblijfsvergunning en mede daardoor lieten velen van hen  partners en  gezinnen overkomen naar Nederland. Ze vestigden zich vooral in de grote steden, waar ze de meeste kansen hadden op nieuw werk. Alleen sloten in de jaren tachtig veel van de bedrijven waarvoor zij geworven waren hun poorten en kwam de economie in een lange recessie terecht. Bovendien was een deel door het vuile en harde werk arbeidsongeschikt geworden. Veel voormalige gastarbeiders, zowel Marokkanen als Turken, lukte het daardoor niet meer om aan het werk te komen.

Periode
Van
Naar
Italiaanse werknemers van Vredestein Den Haag in hotel De Poort aan de Brouwersgracht

Gastarbeiders uit Italië

Tussen 1949 en 1975 kwamen tienduizenden gastarbeiders  uit Italië naar Nederland. De meesten waren afkomstig uit de arme delen van Italië. Vooral het zuiden en het eiland Sardinië kampten na de Tweede Wereldoorlog met hoge werkloosheid. Jonge mannen zagen dan ook meer toekomst in West-Europa, waar de banen voor het oprapen lagen. Ook trok het avontuur. De meeste Italianen trokken naar Zwitserland en Duitsland. Omdat Nederland actief gastarbeiders wierf in Italië, kwamen er ook veel naar Nederland. In de jaren '40 en '50 werkten er al Italianen in de mijnen in Limburg. Na 1955 wilden ook andere Nederlandse bedrijven Italiaanse werknemers aanstellen.

Wervingsverdrag Italië-Nederland 1949

Nederland sloot in 1949 een wervingsverdrag met Italië voor Italiaanse mijnwerkers. Volgens het verdrag moesten de officieel geworven Italiaanse arbeiders ongehuwd zijn. In Nederland was na de oorlog een groot woningtekort en er was geen plaats voor vrouwen en kinderen. Niet alle Italianen voldeden aan deze eis. Domenico was bijvoorbeeld al met Teresa getrouwd voordat hij in 1956 in Nederland kwam.  Ook veel Italiaanse arbeiders die buiten de werving om naar Nederland kwamen¸waren getrouwd. Zij hoefden niet aan deze specifieke eisen van de Nederlandse staat te voldoen. Italiaanse gastarbeiders verwachtten één of twee jaar in Nederland te blijven. 

De Limburgse mijnen hadden voor de oorlog goede ervaringen met Italiaanse arbeiders. Eind jaren '40 en halverwege de jaren '50 werd in Italië actief geworven. Daarnaast was er een toeloop van Italiaanse mijnwerkers uit de Franse en Belgische mijnen. De Staatsmijnen betaalden meer en de arbeidsomstandigheden waren beter. Maar het ondergrondse werk in de mijn bleef zwaar. Door de economische groei nam het tekort aan arbeidskrachten in steeds meer Nederlandse bedrijven toe. Vanaf 1955 mochten ook andere bedrijven in Italië arbeidskrachten werven. Bovendien kwamen Italianen buiten de officiële werving om naar Nederland. Zij hadden van vrienden en kennissen over het werk in Nederland gehoord en kwamen op eigen gelegenheid. Arnaldo had een baan in Italië, maar het werk beviel niet. Een vriend stelde voor om samen naar Nederland te gaan. Arnaldo kon direct aan de slag bij de Amsterdam Droogdok Maatschappij

Ansjovis en Hollandse pap

Volgens het wervingsverdrag moesten werkgevers zorgen voor huisvesting van de arbeiders. Veel Italiaanse arbeiders woonden in een bedrijfspension of in een kosthuis waar alleen buitenlandse werknemers, soms alleen Italianen, woonden. Anderen vonden een particulier pension. De ervaringen van Italiaanse arbeiders liepen uiteen. Veel klachten gingen over het eten. Vincenzo vertelde dat hij volgens de hospita’s maar moest wennen aan het Nederlandse eten. Vincenzo had hier grote moeite mee: ‘We waren gewend aan de primo en de secondo. Ook al waren we arm, we aten altijd twee gerechten. Ansjovis als eerste, gebakken ansjovis als tweede gang. Hier heb je geen tweede gerecht. Ze maakten een soort pap en dat waren we niet gewend. ‘’Mamma mia, wat is dit voor eten!’’, riepen we.’ Soms protesteerden Italianen hevig. Zoals tijdens het 'Spaghettioproer' in het bedrijfspension van de Hoogovens in 1962. Met een staking probeerden Italianen beter eten af te dwingen. In de loop van de jaren '60 en '70 huurden Italianen steeds vaker een kamer of een woning.

Organisaties

Italiaanse gastarbeiders bevonden zich veelal zonder familie en vrienden in een vreemd land. Particuliere Nederlandse organisaties probeerden de onderlinge contacten te stimuleren. Op initiatief van het katholieke Bedrijfsapostolaat van de Hoogovens werd in maart 1957 Peregrinus opgericht. Deze stichting regelde een ruimte waar Italiaanse arbeiders konden samenkomen. De ruimte werd omgedoopt tot Casa Nostra (Ons Huis). In andere Nederlandse steden verschenen in de jaren daarna ook dergelijke Casa’s. Bovendien richtten Italianen zelf ook verenigingen op. Vaak kregen deze de naam Centro Ricreativo Lavoratori Italiani (Recreatiecentrum voor Italiaanse Arbeiders). In veel van deze Centri werden ook kerkdiensten gehouden voor de veelal katholieke Italianen. Daarnaast gaf men bladen uit zoals La Strada en Il Sole d’Italia.

Nieuwsgierige blikken

In het begin vielen Italiaanse arbeiders erg op in het Nederlandse straatbeeld. In grote delen van Nederland was men niet gewend aan buitenlandse werknemers. De aanblik van de Italiaanse mannen lokte nieuwsgierige blikken uit. Velen waren ongehuwd en dat maakte hen voor Nederlandse meisjes interessant. Pierino kon de aandacht van Nederlandse vrouwen waarderen: ‘Meiden schreven hun telefoonnummer op mijn arm. Ik kon niet praten maar voor de rest was het niet moeilijk om contact met de meiden te maken. En ik vond het zeker niet erg!’ Italiaanse mannen werden niet altijd positief benaderd. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de ‘Twentse rellen’ in 1961. Aanleiding was het deurbeleid van een disco in Oldenzaal. Italianen waren trouwe discobezoekers. Op zaterdag 2 september mochten Italianen niet meer naar binnen. Zij zouden meisjes lastig vallen en andere bezoekers afschrikken. Er braken vechtpartijen uit tussen Italianen en (jaloerse) jonge Twentse mannen.

Terugkeer naar Italië

In de beginperiode van de werving bleven Italiaanse gastarbeiders vaak één of twee jaar in Nederland, dat was de looptijd van hun contract. Later bleven Italianen langer. Door het in 1961 ingevoerde vrije verkeer van werknemers binnen de Europese Gemeenschap konden Italianen voortaan zonder beperkingen in Nederland werken. De oliecrisis van 1973 en de daaropvolgende groei van  werkloosheid maakte een eind aan het gastarbeidersysteem. Tussen 1975 en 1980 keerde een groot deel van de Italiaanse arbeiders voorgoed terug. In Nederland was geen werk meer terwijl in Italië de economie verbeterde en de welvaart toenam. Een aantal Italianen was meer met Nederland verbonden en besloot in Nederland te blijven. Zij waren getrouwd met een Nederlandse vrouw of hadden hun gezin uit Italië laten overkomen. 

 

Periode
Van
Naar

Afghaanse vluchtelingen

De constante (burger)oorlog sinds het einde van de jaren zeventig heeft honderdduizenden Afghanen op de vlucht gejaagd. Van de ongeveer 40 miljoen inwoners hadden er in 2021 3,5 miljoen elders in het land een goed heenkomen gezocht, terwijl meer dan twee miljoen in de buurlanden Pakistan en Iran verblijven. Een minderheid is naar Europa gevlucht. De meesten van hen wonen in Duitsland (270.000). Net als bij onze oosterburen arriveerden veel Afghanen in Nederland als asielzoekers in de jaren negentig. In het begin van de 20ste eeuw daalde het aantal, om vanaf 2015 weer toe te nemen, als gevolg van de opmars van de Taliban die in de zomer van 2021 de macht heroverden. Eind 2020 woonden er bijna 36.000 in Afghanen in Nederland (eerste generatie), met ongeveer 15.000 hier geboren kinderen.

Periode
Naar