Periode

1945-heden

Het aantal migranten in Nederland nam in de tweede helft van de 20ste eeuw sterk toe. Aan het eind van de eeuw lag het aandeel van migranten in de bevolking zelfs weer op het niveau van de Republiek in de zeventiende eeuw. Uit de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog verrees een zeer welvarend Nederland, dat veel migranten aantrok. De migranten kwamen uit andere landen dan in vroegere perioden. Weliswaar vormden Duitsers, net als voorheen, lange tijd de belangrijkste groep migranten, maar na 1960 vormde hun aantal nog maar een fractie van de grote groep vreemdelingen in Nederland. De economische groei in het Westen trok veel arbeidsmigranten aan. Zij kwamen eerst overwegend uit Europese landen, daarna van buiten Europa. Goedkope en makkelijke transportverbindingen droegen hieraan bij. Door de onafhankelijkheid van de koloniën in Oost en West kwamen veel migranten uit die delen van de wereld naar Nederland. Politieke vluchtelingen kwamen eveneens uit alle delen van de wereld. De ontwikkeling en uitbreiding van de Europese Unie leidden tot de komst van inwoners van andere lidstaten.

Afscheid van Suriname in 's Lands Hospitaal

Zusters uit Suriname

Na de Tweede Wereldoorlog kwamen enkele honderden jonge Surinaamse vrouwen naar Nederland om in de verpleging te werken. Nederlandse ziekenhuizen hadden in die tijd grote problemen met het aantrekken van voldoende vakkundig personeel. Zij wierven actief vrouwen in Suriname, die wel naar Nederland wilden komen omdat ze daar een betere toekomst verwachtten. Anders dan ze vantevoren hadden gepland, keerden de meesten van hen na het behalen van hun verpleegstersdiploma niet terug naar hun geboorteland - uitzonderingen daargelaten.

Opleiding in Nederland

De motieven voor vertrek waren net zo divers als de Surinaamse vrouwen zelf, maar er valt wel degelijk een aantal constanten aan te wijzen. Om te beginnen was er de oriëntatie op het koloniale moederland, en in het verlengde daarvan de overtuiging dat je voor een goede opleiding in Nederland moest zijn. Het was niet onmogelijk om een verpleegopleiding in Paramaribo te volgen, maar in de jaren '50 stond het onderwijs overzee in veel hoger aanzien. Bovendien beschikten de ziekenhuizen in Paramaribo over weinig opleidingsplaatsen. Wat in die naoorlogse periode ook een belangrijke rol speelde bij Surinaamse vrouwen – en daarin verschilden zij niet van hun seksegenoten in Nederland – was de drang naar verandering. De vrouwen kregen de gelegenheid ervaring op te doen in een andere leefwereld. Weg van de sociale controle in Paramaribo en de bijwijlen benauwende gezinsverhoudingen. Hannah Sprey, oud-directrice van het Diaconessenhuis in Paramaribo, vatte het als volgt samen: "Wij gingen langs de mulo-scholen om meisjes te krijgen, maar de meeste kozen toch voor Nederland. Ze kregen daar niet alleen een hoger salaris, maar ze waren er ook uit."

Voorwaarden voor vertrek

De selectie en de medische keuring voor de Nederlandse ziekenhuizen vonden plaats in Suriname. Om in aanmerking te komen voor een opleidingsplaats moesten de meisjes ongehuwd zijn, een mulo-diploma hebben en een onbesproken levenswandel. De passagekosten naar Nederland werden vergoed. De schattingen van het aantal Surinaamse verpleegsters dat eind jaren vijftig naar Nederland kwam, lopen uiteen. Het kunnen er tweehonderd zijn geweest, maar waarschijnlijk waren het er meer. In 2003 werden van 184 vrouwen de namen achterhaald. Elf waren er toen overleden en van 71 vrouwen was niet bekend waar zij zich bevonden. Van 125 vrouwen weten we dat wel. Iets minder dan een kwart blijkt te zijn teruggekeerd naar Suriname, het leeuwendeel bleef in Nederland wonen. Een enkeling verhuisde naar Canada, de Verenigde Staten of Curaçao. De meeste vrouwen wisten niet wat hun te wachten stond op het moment dat ze naar Nederland kwamen. Een aantal van hen haakte voortijdig af vanwege een conflict, heimwee, ongeschiktheid voor het werk of een zwangerschap. Maar hoeveel zijn er uiteindelijk in geslaagd het diploma te halen? Van de achtenzestig vrouwen over wie gedetailleerde gegevens zijn verzameld, haalden er zevenenveertig (70%) een of meerdere diploma’s: het a–diploma (29), het b-diploma (26) en de kraamaantekening (21). Daarnaast werden opleidingen gevolgd voor de operatiekamer, voor oogheelkunde en neurologie, terwijl er ook docenten uit deze groep naar voren kwamen.

Met de boot naar Nederland

De Surinaamse zusters kwamen per boot naar Nederland. De boten die hen als passagier vervoerden, droegen namen als de Bonaire, de Boskoop, de Willemstad, de Oranjestad en de Cottica. De dag van het vertrek, als ze de steiger opliepen naar de grote boot en alle vrienden en familie op de kade stonden, voelden de meisjes zich heel bijzonder. Menigeen herinnert het zich als een heerlijk gevoel, want zij gingen naar Nederland, terwijl de anderen achterbleven. Tijdens de bootreis, die gemiddeld drie weken duurde, verdween het besef bevoorrecht te zijn bij sommigen al snel. Zij waren al die tijd zeeziek en konden nergens aan meedoen. Ook de paniek die bij noodweer kon ontstaan, is niet vergeten. Tijdens de reis werden vaak speciale banden gesmeed, die tot levenslange vriendschappen hebben geleid. Ver van huis stonden de meisjes er alleen voor, wat de noodzaak voedde om contacten te leggen. Aan boord was daar alle gelegenheid voor, want er was veel vertier. Het hoogtepunt was het captain’s dinner, waarvoor de meisjes allemaal hun mooiste jurk tevoorschijn haalden. Op het menu stonden extra feestelijke gerechten en de jongedames werden met alle egards behandeld.

Aanpassen

Surinaamse verpleegsters hadden in hun beginperiode in Nederland het meeste moeite met het eten. Niet het klimaat, niet de mensen, niet het zware werk, maar de voedingsgewoonten vormden een haast onoverkomelijke hindernis. In de jaren vijftig waren de vrouwen nog verstoken van Surinaamse winkels en kraampjes op de markt. Bovendien woonden zij intern, waardoor zij niet anders konden dan eten wat de ziekenhuispot schafte. In een terugblik gruwelen de vrouwen over de maaltijden, opgediend op het ritme van de weekdagen, te beginnen op maandag met rode kool en bloedworst. Sommige instellingen deden hun best om aan speciale wensen tegemoet te komen en schonken bijvoorbeeld chocolademelk in plaats van koffie. Maar ondanks de goede bedoelingen slaagde de kok er niet in de harten van de Surinaamse verpleegsters te winnen. Want rijst met boter en suiker lustte niemand en hetzelfde gold voor de bruine bonen (met stroop), die zo droog waren dat ze van je bord afrolden en in niets leken op het Surinaamse gerecht waar ze zo naar verlangden. Om de eerste tijd te overbruggen waren de overzeese voedselpakketten van familieleden derhalve bittere noodzaak. Een ander aspect van de Nederlandse cultuur waaraan de Surinaamse meisjes zich met grote tegenzin aanpasten, was de kleding. Het verhaal van de Surinaamse meisjes die onder veel rooskleuriger omstandigheden naar Nederland kwamen, wijkt daar nauwelijks van af. In hun koffers hadden ze wijde, diep uitgesneden jurken gepakt, met felle kleuren. Het was de tijd van de cancan en alles moest zwieren. Daaronder droegen zij bij voorkeur open schoenen, met hoge hakken. Ze waren zich er wel van bewust dat de meegebrachte kleding niet bestand was tegen de Hollandse koude en dat er weinig geld viel te spenderen. Voor hen was dat echter geen reden om niet langer vrolijke kleuren en soepele materialen te kiezen. Zij vonden dat Nederland in die periode een beetje achterliep. Onder invloed van Amerika was Suriname allang op de hoogte van hoe een vrouw er in de jaren vijftig moest uitzien, maar hier was dat modebeeld nog niet doorgedrongen. Onder leiding van het ziekenhuis moesten er in Nederland vormeloze dikke jassen en bruine molières (schoenen) worden aangeschaft.

Kerkbezoek

In Suriname waren veel vrouwen aangesloten bij de Evangelische Broedergemeente (EBG). In de jaren '50 beschikte de EBG over drie vestigingen in Nederland: in Haarlem, Amsterdam en Zeist. Voor officiële gelegenheden reisden Surinamers daar naartoe. Voor het reguliere contact bood de reizende broeder Prinsen uitkomst. In alle uithoeken van het land bezocht hij studerende en werkende Surinamers, wat hem de naam van ‘pastor in de diaspora’ opleverde. Hij begeleidde mensen, besteedde aandacht aan hun problemen en verzorgde kerkdiensten. De plaatsen en tijden van de diensten waren te vinden op een maandelijks rondgestuurd programma. Het hoogtepunt van de bemoeienis van de EBG was de belijdenis in Zeist op Palmzondag. De feestelijke, witte kleding werd opgestuurd uit Suriname, samen met de schoenen, de tasjes en niet te vergeten de Halbe. Zij staken daarmee af bij de andere Nederlanders in Zeist, die in het zwart gekleed waren.

Blijven of teruggaan

Het is een gevleugeld gezegde in elke kring van migranten: "Op een dag keer ik terug naar mijn geboorteland." Dat gold ook voor Surinaamse vrouwen die in Nederland een opleiding tot verpleegster volgden. De meesten wisten zeker dat zij na het behalen van hun diploma naar Suriname zouden terugkeren, op z’n minst voor een paar jaar. Dat de meesten toch bleven, had alles te maken met de andere levensfase waarin zij terechtkwamen. Vrouwen leerden hun toekomstige echtgenoot kennen, traden in het huwelijk, kregen meestal ook kinderen. Stuk voor stuk goede redenen om de overtocht keer op keer uit te stellen. En uiteindelijk, zoals dat dan gaat, komt het er niet meer van. Voor de meeste vrouwen die in de jaren ‘50 naar  Nederland kwamen, is dit land hun basis gebleven. Ze hebben er het grootste deel van hun leven gewoond, en hun kinderen en kleinkinderen wonen er. Familiebanden spelen voor de meeste vrouwen – daarin verschillen ze niet van andere migranten – een uitermate belangrijke rol bij de beslissing niet terug te keren naar het land van herkomst. 

Een kwart van de Surinaamse vrouwen keerde na verloop van tijd om verschillende redenen naar Suriname terug. Bijvoorbeeld vanwege de ziekte van hun moeder of omdat hun man er werk kreeg. Zelden vertrok iemand vanwege omstandigheden in Nederland. Wie een baan wilde, had werk en er waren voldoende mogelijkheden voor nieuwe opleidingen. Ook de aanpassing was inmiddels zo ver voortgeschreden dat de meesten zich thuis voelden in Nederland. Niemand werd verteerd door heimwee, wel bleef er soms iets kriebelen. Een aantal vrouwen is teruggegaan omdat er een beroep op hen werd gedaan. In de jaren ‘50 hadden Nederlandse instellingen hun oog laten vallen op arbeidskrachten overzee, maar 20 jaar later zocht Suriname naar overzees opgeleid kader om een bijdrage aan het vaderland te leveren. 

Periode
Van
Naar

Zeelui uit Kaapverdië

In de jaren '50 en '60 kwamen de eerste migranten van het toen nog Portugese Kaapverdië naar Nederland. Het waren zeemannen die op Europese schepen werkten en zo in verschillende Europese havens terechtkwamen. Omdat Nederlandse rederijen bekend stonden om hun goede arbeidsomstandigheden, werd Rotterdam al snel populair onder Kaapverdianen. Zij verlieten hun geboorteland vanwege de armoede, maar ook om de dienstplicht te ontlopen.

Periode
Naar

Vluchtelingen uit voormalig Joegoslavië

Gedurende de Koude Oorlog vormden Joegoslavische vluchtelingen één van de grootste groepen migranten, maar hun aantal telde zelden meer dan honderd per jaar. Dit veranderde na het verdwijnen van het IJzeren Gordijn (in 1989). Na het begin van de burgeroorlog in Joegoslavië sloegen niet minder dan zes miljoen mensen op de vlucht. Aanvankelijk kwamen vooral veel Bosniërs naar Nederland; zowel Bosnische moslims, Serviërs als Kroaten. In 1999 bestond de grootste groep uit Kosovaren. De komst van voormalig Joegoslaven zorgde in 1994 voor het recordaantal van meer dan 50.000 asielzoekers, die aanvankelijk een tijdelijke ‘ontheemdenstatus’ kregen. Het idee was dat zij buiten de asielprocedure konden blijven, omdat zij zouden terugkeren wanneer de oorlog in hun land voorbij was. Dit gebeurde echter niet en vele jaren later kregen zij toch een asielstatus. Het waren alleen de Kosovaren die merendeels terugkeerden. De opvang in Nederland kon de grote aantallen niet aan, wat ertoe leidde dat mensen soms moesten overnachten in maïsvelden. Zulke toestanden leidden steevast tot felle politieke en publieke debatten.

Eerste migratiegolf, 1990-1995

De eerste migratiegolf kwam op gang na de onafhankelijkheidsverklaringen van Slovenië en Kroatië in 1991. Zo’n 80.000 Joegoslaven (voornamelijk Kroaten, Serviërs, Bosniërs) trokken naar Centraal, West- en Noord-Europa waar zij voor het grootste gedeelte werden opgevangen door familieleden die al eerder als gastarbeider waren vertrokken. Dit was ook in Nederland het geval. Vanaf de jaren ’60 en ’70 kwamen veel Joegoslaven (de etniciteit werd nog niet geregistreerd) als gastarbeider naar Nederland. Na die tijd volgden familieleden in het kader van gezinshereniging. In 1990 telde het aantal Joegoslaven in Nederland  ongeveer 20.000. Deze banden met de eerdere gastarbeiders in het nieuwe land vergemakkelijkte de integratie van de nieuwkomers. Na 1992 ontvluchtte veel Bosniërs de regio vanwege het toenemende oorlogsgeweld. Zo’n 1,2 miljoen Bosniërs (Serviërs, Kroaten en Moslims/Bosniakken) vluchtten binnen de grenzen van voormalig Joegoslavië terwijl zo’n 1,3 miljoen over de grens trokken. Duitsland nam veruit de meeste Bosniërs op (zo’n 340.000 in 1997). Nederland nam 25.000 Bosniërs op. De publieke opinie in Nederland ten aanzien van vluchtelingen uit Joegoslavië veranderde sterk door de uitzending van tv-beelden van detentiekampen in Bosnië in 1992. Hierna verklaarde de regering zich bereid om vluchtelingen op te nemen. Zo’n 3000 Bosniërs kwamen hierna op uitnodiging van de regering naar Nederland . In september van dat jaar vond de eerste actie plaats en haalden twee Nederlandse treinen zo’n 1000 vluchtelingen op uit kampen in Kroatië. Het merendeel van de vluchtelingen ondernam echter zelf de reis naar Nederland.

Beleid

De eerste vluchtelingen aan het begin van de jaren ’90 kwamen op een toeristenvisum naar Nederland en hun verblijf werd hier gedoogd. Vanaf 1992 voerde de Benelux een visumplicht voor Bosnië in waarmee de komst van vluchtelingen werd bemoeilijkt. Voor asielzoekers uit voormalig Joegoslavië werd  in Nederland een speciale regeling getroffen. Zij werden als ‘ontheemden’ aangeduid en werden buiten de asielprocedure gehouden. Dit vanwege de verwachting dat hun verblijf van tijdelijke aard zou zijn. Na 1993 begon de Nederlandse regering met de behandeling van asielverzoeken van vluchtelingen uit Bosnië. De meesten kregen een A-status (officiële toelating als vluchteling) of een VVTV (voorwaardelijke vergunning tot verblijf).  Na de Daytonakkoorden in 1995 nam het aantal nieuwe asielverzoeken af en werd het toelatingsbeleid verscherpt. De focus kwam nu meer op ondersteuning van vrijwillige terugkeer te liggen.

Periode
Naar
Nederlandse emigranten verlaten het schip bij aankomst in Australie

Nederlandse emigranten naar Australië

Na de onafhankelijkheid van Indonesië onderhandelt Nederland over de vestigingsmogelijkheden van Nederlandse burgers en ex-KNIL-militairen uit voormalig Nederlands-Indië. Ook subsidieert de Nederlandse regering in 1949 voor het eerst individuele emigranten naar Australië. Aanvankelijk komen vooral ongeschoolden zonder werk hiervoor in aanmerking. Kort daarna starten echter onderhandelingen om zoveel mogelijk Nederlanders in staat te stellen met financiële steun naar Australië te emigreren. De in 1951 afgesloten ‘Netherlands Australian Migration Agreement’ biedt die mogelijkheid. Bepaalde groepen migranten kunnen nu met steun van zowel de Australische als de Nederlandse overheid migreren. Uiteraard zijn hieraan wel voorwaarden verbonden. Zoals een maximale leeftijd van de migrant en de omvang van het gezin. Het aantal van bijna 16.000 emigranten dat in 1952 naar Australië vertrekt, betekent een absoluut hoogtepunt. Ondanks andere bilaterale steunverleningsprogramma’s en het wederzijds migratie- en vestigingsverdrag van 1965 worden dergelijke vertrekcijfers naar Australië niet meer gehaald.

Periode
Van
Naar

Displaced persons uit de Baltische Staten

In 1947 en 1948 liet de Nederlandse overheid 4.000 displaced persons toe. Met de term displaced persons werden vluchtelingen aangeduid die zich, door deportatie of andere gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog, na de bevrijding buiten de grenzen van het thuisland bevonden. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog waren miljoenen mensen in Europa verspreid geraakt. Velen keerden meteen na de bevrijding terug. Het bleek al snel dat ongeveer 1,6 miljoen Oost-Europeanen niet naar huis wilden, want daar waren de communisten nu aan de macht. Bovendien was de economie er slecht aan toe. Deze displaced persons bleven liever in de kampen waar zij waren opgevangen in Duitsland, Oostenrijk en Italië. Westerse landen namen hen vervolgens op, waarna de opvangkampen opgeheven werden.

Naar Nederland

De Nederlandse staat regelde de komst van displaced persons met een contract, ondertekend door internationale vluchtelingenorganisaties, de International Gouvernmental Commission for Refugees (IGCR) en later de International Refugee Organisation (IRO). Vervolgens stuurde Nederland een selectieteam om jonge, ongehuwde en arbeidsgeschikte kandidaten te zoeken. In dit team zaten zowel ambtenaren als mensen uit het bedrijfsleven. Het plan was om 8.500 displaced persons aan te trekken, waarvan 4.000 vrouwen. Internationale organisaties regelden het transport van de kampen naar de Nederlandse grens. De reis in Nederland kwam voor rekening van de deelnemende Nederlandse bedrijven.

Selectie van displaced persons

De toelating van displaced persons bracht Nederland enkele voordelen. Zo kreeg het Nederlandse bedrijfsleven nieuwe werknemers. De Nederlandse staat won enig internationaal aanzien door het leveren van een kleine bijdrage aan het oplossen van een groot Europees vluchtelingenprobleem. In de kampen werden zij door Nederland en andere landen geselecteerd voor toelating. In de zomer van 1947 kwamen allereerst 25 Baltische meisjes in Nederland aan. Zij werden in september gevolgd door een nieuwe lichting van 275 displaced persons. Daarna arriveerden iedere paar weken nieuwe groepjes geselecteerde vluchtingen. In december 1948 kwam er een einde aan de werving. In de jaren daarna liet Nederland nog enkele honderden oudere en zieke displaced persons toe.

Vrouwen en mannen aan het werk

De eerste groep van 25 Baltische meisjes kwam op verzoek van het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam. Ziekenhuizen hadden dringend behoefte aan vrouwelijk personeel. Ook aan huishoudelijk personeel was een gebrek. Vandaar het plan van de regering om 4.000 vrouwelijke displaced persons toe te laten. Deze vrouwen zouden bovendien geen beroep doen op de schaarse woonruimte, omdat ze intern in een ziekenhuis of bij mensen thuis gingen wonen. Van de mannelijke displaced persons werkte driekwart in de mijnen; de overigen in de metaal- en textielindustrie. Het grootste probleem was de huisvesting van deze mannen vanwege de woningnood in de naoorlogse periode. In de mijnstreek loste men dit op door een aantal mannen bij elkaar in een huis te plaatsen, een zogenaamd gezellenhuis.

Beperkende regels

In Nederland kregen de displaced persons een verblijfsvergunning die elk jaar verlengd moest worden. Aan de werkvergunning die samen met de verblijfsvergunning werd uitgereikt, waren wel enige voorwaarden verbonden. Zo mocht men alleen naar een andere baan overstappen als het arbeidsbureau daar toestemming voor gaf. Particuliere werkgevers waren verplicht om de aangetrokken displaced persons twee jaar in dienst te houden. Wel kon de directeur van het arbeidsbureau ontheffing verlenen. Displaced persons waren dus zeker niet beschermd tegen werkloosheid, en evenmin tegen uitzetting. Bij slecht gedrag of het weigeren van werk kon de Vreemdelingendienst besluiten de betreffende persoon terug te sturen naar het vluchtelingenkamp. Er is geen bewijs dat dit ook daadwerkelijk gebeurde. Wel is een deel van de displaced persons vrijwillig teruggekeerd naar de vluchtelingenkampen. Zij vernamen namelijk dat daar intussen mensen werden geselecteerd voor toelating tot de Verenigde Staten.

Migratie ten einde

In december 1948 stopte Nederland met de selectie van displaced persons. Van de voorgenomen 8.500 waren er uiteindelijk maar 4.000 naar Nederland gekomen. Onder hen slechts 300 vrouwen. Nederland hield op met werven toen er te weinig geschikte arbeidskrachten in de kampen waren achtergebleven. Andere landen waren al eerder begonnen met de selectie van displaced persons in de kampen. Veel jonge mannen en vrouwen waren al vertrokken naar bijvoorbeeld België of Engeland. Nederland was niet alleen laat, maar ook minder aantrekkelijk voor displaced persons vanwege de strenge leeftijdseisen en de beperking tot alleenstaanden.

Periode
Naar

Molukkers

In 1951 kwamen 12.500 Molukkers per boot naar Nederland; 3.500 Molukse soldaten uit het Koninklijk Nederlands-Indische Leger (KNIL) en hun gezinnen. Na de Tweede Wereldoorlog hadden Indonesische nationalisten op 17 augustus 1945 de onafhankelijke Republiek Indonesië uitgeroepen. Nederland accepteerde dit niet en probeerde in eerste instantie, onder andere met militaire acties, het koloniale gezag te herstellen. Na vier jaar moest Nederland echter de onafhankelijkheid van Indonesië erkennen en werd op 27 december 1949 de soevereiniteit overgedragen. In de politieke turbulentie rond de dekolonisatie van Indonesië werd in de Zuid- Molukken (in het oosten van de Indonesische archipel) een eigen staat uitgeroepen, de Zuid Molukse Republiek. Molukse militairen die op dat moment nog in Nederlandse dienst waren en zich buiten de Zuid-Molukken bevonden, steunden die nieuwe republiek. Omdat deze groep Molukkers het slachtoffer dreigde te worden van de politieke spanningen, werd zij naar Nederland overgebracht. Tussen 23 maart en 21 juni 1951 kwamen de Molukkers in de havens van Rotterdam en Amsterdam aan voor een tijdelijk verblijf. Hoewel verreweg de meeste Molukkers KNIL-militairen waren, maakten ook kleine groepen Molukkers in dienst van de marine, politiemensen en burgers deel uit van de passagiers.

Periode
Van
Naar
Oude en nieuwe Griekse migranten kijken samen naar een voetbalwedstrijd

Gastarbeiders uit Griekenland

In 1966 sloten de Nederlandse en Griekse regering een wervingsverdrag, waarna Nederlandse bedrijven in Griekenland arbeiders konden werven. In de praktijk gebeurde dat overigens al vanaf 1961. Bedrijven zoals de Staatsmijnen, Royal Sphinx (Maastricht), de garenspinnerij NYMA (Nijmegen) en De Vries Robbé (Gorinchem) trokken toen op eigen initiatief naar Griekenland. Bovendien hadden België (1957) en Duitsland (1960) al eerder een officieel verdrag getekend, waardoor er ook een migratie van Grieken uit die landen naar Nederland op gang kwam. Wanneer het werk in de Belgische mijnen te zwaar werd, zocht men vlak over de grens naar betere omstandigheden.

Een grote concentratie Grieken ontstond in Utrecht, waar zij  naar verhouding oververtegenwoordigd zijn. In de loop van de jaren zeventig openden de eerste Griekse restaurants hun deuren. Het land werd steeds populairder als vakantiebestemming, wat hun populariteit in Nederland deed toenemen.De meerderheid van de Grieken in Nederland komt uit de noordelijke gebieden Macedonië en Tracië. Alleen in de havenstad Rotterdam wonen ook Grieken van de eilanden en van de Peloponnesos. In de jaren zestig steeg het aantal Grieken door de arbeidsmigratie, totdat de oliecrisis daar een eind aan maakte. 

Europese Unie

Vanwege de toetreding van Griekenland tot de EU (1981) konden Grieken vanaf 1988 gebruikmaken van het vrije arbeidsverkeer van werknemers. Als gevolg daarvan neemt hun aantal in Nederland vanaf het einde van de jaren tachtig weer toe.

Periode
Naar