Periode

1945-heden

Het aantal migranten in Nederland nam in de tweede helft van de 20ste eeuw sterk toe. Aan het eind van de eeuw lag het aandeel van migranten in de bevolking zelfs weer op het niveau van de Republiek in de zeventiende eeuw. Uit de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog verrees een zeer welvarend Nederland, dat veel migranten aantrok. De migranten kwamen uit andere landen dan in vroegere perioden. Weliswaar vormden Duitsers, net als voorheen, lange tijd de belangrijkste groep migranten, maar na 1960 vormde hun aantal nog maar een fractie van de grote groep vreemdelingen in Nederland. De economische groei in het Westen trok veel arbeidsmigranten aan. Zij kwamen eerst overwegend uit Europese landen, daarna van buiten Europa. Goedkope en makkelijke transportverbindingen droegen hieraan bij. Door de onafhankelijkheid van de koloniën in Oost en West kwamen veel migranten uit die delen van de wereld naar Nederland. Politieke vluchtelingen kwamen eveneens uit alle delen van de wereld. De ontwikkeling en uitbreiding van de Europese Unie leidden tot de komst van inwoners van andere lidstaten.

Displaced persons uit de Baltische Staten

In 1947 en 1948 liet de Nederlandse overheid 4.000 displaced persons toe. Met de term displaced persons werden vluchtelingen aangeduid die zich, door deportatie of andere gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog, na de bevrijding buiten de grenzen van het thuisland bevonden. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog waren miljoenen mensen in Europa verspreid geraakt. Velen keerden meteen na de bevrijding terug. Het bleek al snel dat ongeveer 1,6 miljoen Oost-Europeanen niet naar huis wilden, want daar waren de communisten nu aan de macht. Bovendien was de economie er slecht aan toe. Deze displaced persons bleven liever in de kampen waar zij waren opgevangen in Duitsland, Oostenrijk en Italië. Westerse landen namen hen vervolgens op, waarna de opvangkampen opgeheven werden.

Naar Nederland

De Nederlandse staat regelde de komst van displaced persons met een contract, ondertekend door internationale vluchtelingenorganisaties, de International Gouvernmental Commission for Refugees (IGCR) en later de International Refugee Organisation (IRO). Vervolgens stuurde Nederland een selectieteam om jonge, ongehuwde en arbeidsgeschikte kandidaten te zoeken. In dit team zaten zowel ambtenaren als mensen uit het bedrijfsleven. Het plan was om 8.500 displaced persons aan te trekken, waarvan 4.000 vrouwen. Internationale organisaties regelden het transport van de kampen naar de Nederlandse grens. De reis in Nederland kwam voor rekening van de deelnemende Nederlandse bedrijven.

Selectie van displaced persons

De toelating van displaced persons bracht Nederland enkele voordelen. Zo kreeg het Nederlandse bedrijfsleven nieuwe werknemers. De Nederlandse staat won enig internationaal aanzien door het leveren van een kleine bijdrage aan het oplossen van een groot Europees vluchtelingenprobleem. In de kampen werden zij door Nederland en andere landen geselecteerd voor toelating. In de zomer van 1947 kwamen allereerst 25 Baltische meisjes in Nederland aan. Zij werden in september gevolgd door een nieuwe lichting van 275 displaced persons. Daarna arriveerden iedere paar weken nieuwe groepjes geselecteerde vluchtingen. In december 1948 kwam er een einde aan de werving. In de jaren daarna liet Nederland nog enkele honderden oudere en zieke displaced persons toe.

Vrouwen en mannen aan het werk

De eerste groep van 25 Baltische meisjes kwam op verzoek van het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam. Ziekenhuizen hadden dringend behoefte aan vrouwelijk personeel. Ook aan huishoudelijk personeel was een gebrek. Vandaar het plan van de regering om 4.000 vrouwelijke displaced persons toe te laten. Deze vrouwen zouden bovendien geen beroep doen op de schaarse woonruimte, omdat ze intern in een ziekenhuis of bij mensen thuis gingen wonen. Van de mannelijke displaced persons werkte driekwart in de mijnen; de overigen in de metaal- en textielindustrie. Het grootste probleem was de huisvesting van deze mannen vanwege de woningnood in de naoorlogse periode. In de mijnstreek loste men dit op door een aantal mannen bij elkaar in een huis te plaatsen, een zogenaamd gezellenhuis.

Beperkende regels

In Nederland kregen de displaced persons een verblijfsvergunning die elk jaar verlengd moest worden. Aan de werkvergunning die samen met de verblijfsvergunning werd uitgereikt, waren wel enige voorwaarden verbonden. Zo mocht men alleen naar een andere baan overstappen als het arbeidsbureau daar toestemming voor gaf. Particuliere werkgevers waren verplicht om de aangetrokken displaced persons twee jaar in dienst te houden. Wel kon de directeur van het arbeidsbureau ontheffing verlenen. Displaced persons waren dus zeker niet beschermd tegen werkloosheid, en evenmin tegen uitzetting. Bij slecht gedrag of het weigeren van werk kon de Vreemdelingendienst besluiten de betreffende persoon terug te sturen naar het vluchtelingenkamp. Er is geen bewijs dat dit ook daadwerkelijk gebeurde. Wel is een deel van de displaced persons vrijwillig teruggekeerd naar de vluchtelingenkampen. Zij vernamen namelijk dat daar intussen mensen werden geselecteerd voor toelating tot de Verenigde Staten.

Migratie ten einde

In december 1948 stopte Nederland met de selectie van displaced persons. Van de voorgenomen 8.500 waren er uiteindelijk maar 4.000 naar Nederland gekomen. Onder hen slechts 300 vrouwen. Nederland hield op met werven toen er te weinig geschikte arbeidskrachten in de kampen waren achtergebleven. Andere landen waren al eerder begonnen met de selectie van displaced persons in de kampen. Veel jonge mannen en vrouwen waren al vertrokken naar bijvoorbeeld België of Engeland. Nederland was niet alleen laat, maar ook minder aantrekkelijk voor displaced persons vanwege de strenge leeftijdseisen en de beperking tot alleenstaanden.

Periode
Naar

Molukkers

In 1951 kwamen 12.500 Molukkers per boot naar Nederland; 3.500 Molukse soldaten uit het Koninklijk Nederlands-Indische Leger (KNIL) en hun gezinnen. Na de Tweede Wereldoorlog hadden Indonesische nationalisten op 17 augustus 1945 de onafhankelijke Republiek Indonesië uitgeroepen. Nederland accepteerde dit niet en probeerde in eerste instantie, onder andere met militaire acties, het koloniale gezag te herstellen. Na vier jaar moest Nederland echter de onafhankelijkheid van Indonesië erkennen en werd op 27 december 1949 de soevereiniteit overgedragen. In de politieke turbulentie rond de dekolonisatie van Indonesië werd in de Zuid- Molukken (in het oosten van de Indonesische archipel) een eigen staat uitgeroepen, de Zuid Molukse Republiek. Molukse militairen die op dat moment nog in Nederlandse dienst waren en zich buiten de Zuid-Molukken bevonden, steunden die nieuwe republiek. Omdat deze groep Molukkers het slachtoffer dreigde te worden van de politieke spanningen, werd zij naar Nederland overgebracht. Tussen 23 maart en 21 juni 1951 kwamen de Molukkers in de havens van Rotterdam en Amsterdam aan voor een tijdelijk verblijf. Hoewel verreweg de meeste Molukkers KNIL-militairen waren, maakten ook kleine groepen Molukkers in dienst van de marine, politiemensen en burgers deel uit van de passagiers.

Periode
Van
Naar
Oude en nieuwe Griekse migranten kijken samen naar een voetbalwedstrijd

Gastarbeiders uit Griekenland

In 1966 sloten de Nederlandse en Griekse regering een wervingsverdrag, waarna Nederlandse bedrijven in Griekenland arbeiders konden werven. In de praktijk gebeurde dat overigens al vanaf 1961. Bedrijven zoals de Staatsmijnen, Royal Sphinx (Maastricht), de garenspinnerij NYMA (Nijmegen) en De Vries Robbé (Gorinchem) trokken toen op eigen initiatief naar Griekenland. Bovendien hadden België (1957) en Duitsland (1960) al eerder een officieel verdrag getekend, waardoor er ook een migratie van Grieken uit die landen naar Nederland op gang kwam. Wanneer het werk in de Belgische mijnen te zwaar werd, zocht men vlak over de grens naar betere omstandigheden.

Een grote concentratie Grieken ontstond in Utrecht, waar zij  naar verhouding oververtegenwoordigd zijn. In de loop van de jaren zeventig openden de eerste Griekse restaurants hun deuren. Het land werd steeds populairder als vakantiebestemming, wat hun populariteit in Nederland deed toenemen.De meerderheid van de Grieken in Nederland komt uit de noordelijke gebieden Macedonië en Tracië. Alleen in de havenstad Rotterdam wonen ook Grieken van de eilanden en van de Peloponnesos. In de jaren zestig steeg het aantal Grieken door de arbeidsmigratie, totdat de oliecrisis daar een eind aan maakte. 

Europese Unie

Vanwege de toetreding van Griekenland tot de EU (1981) konden Grieken vanaf 1988 gebruikmaken van het vrije arbeidsverkeer van werknemers. Als gevolg daarvan neemt hun aantal in Nederland vanaf het einde van de jaren tachtig weer toe.

Periode
Naar

Filipijnse verzorgden en verpleegsters

Toen in de jaren '60 gastarbeiders werden geworven in de landen rond de Middellandse Zee, werden er ook arbeidskrachten geworven op de Filipijnen. De Filipijnse overheid moedigde deze werving zeer sterk aan. Er werden vooral vrouwen geworven, met name voor de confectie- en voedingsmiddelenindustrie. Maar ook om in Nederlandse ziekenhuizen als verpleegster of verzorgster te werken. Nederland kampte in de jaren '60 en '70 met een groot tekort aan verpleegsters. Tussen 1968 en 1973 werden ongeveer 400 Filipijnse verzorgenden of verpleegsters geworven. Velen van hen zijn getrouwd met een Nederlandse man.

Periode
Naar

Adoptiekinderen uit Azië

Sinds de vroege jaren '70 heeft de adoptie van kinderen uit het buitenland een hoge vlucht genomen. Behalve uit Zuid-Korea kwamen er kinderen uit Thailand, Sri Lanka, India, Bangladesh en Indonesië en nog wel andere landen naar Nederland. Die steeds grotere vraag kwam door het stijgen van de leeftijd waarop vrouwen in het Westen een kind wilden. Hierdoor nam de kans op ongewenste kinderloosheid toe. In 1967 vertelde de naar Amerika geëmigreerde Nederlandse schrijver Jan de Hartog in het populaire televisieprogramma Mies en scène met veel warmte over zijn twee geadopteerde Koreaanse kinderen. Zijn optreden bracht talrijke Nederlandse ouderparen op het idee een adoptiekind te gaan zoeken in de zwaar door de oorlog getroffen landen in Azië. De kinderen van veel alleenstaande moeders in Korea en Vietnam hadden vaak nauwelijks een kans om een bestaan op te bouwen. Adoptie bood dan een kans op een stabiele toekomst elders.

Toch was de werkelijkheid achter dit beeld niet altijd geheel correct. De Nederlandse overheid negeerde jarenlang misstanden bij interlandelijke adopties. Een onderzoekscommissie ontdekte onder meer dat er op grote schaal met documenten was gesjoemeld en dat kinderen waren verhandeld. De Nederlandse overheid negeerde meldingen van misstanden en legde de verantwoordelijkheid bij autoriteiten in het buitenland. Namens het kabinet bood minister Sander Dekker (Rechtsbescherming, VVD) begin februari 2021 aan geadopteerde mensen excuses aan, voor de lakse houding van de regering. Het idee dat adoptie een goede daad is, was volgens Dekker een verklaring voor het wegkijken van de overheid, maar geen rechtvaardiging. Het kabinet schortte per direct, op aanbevelen van de onderzoekscommissie, alle nieuwe interlandelijke adopties tijdelijk op.

Periode
Naar
De familie Chong achter het buffet van hun restaurant Ling Nam aan de Binnen Bantammerstraat 3 te Amsterdam omstreeks 1958

Restauranthouders uit China

Voor de Tweede Wereldoorlog waren er in Nederland niet meer dan enige tientallen Chinese eethuizen gevestigd. Het waren aanvankelijk Chinese pensioneigenaren die deze eethuisjes begonnen voor in Nederland verblijvende zeelui uit China. Vanaf de jaren ’50 groeide het aantal Chinese restaurants enorm vanwege de vraag naar Oosters voedsel door Nederlanders die in Indië hadden gevochten. Dit leidde tot het ontstaan van een mengvorm: de Chinees-Indische keuken. De komst van Indische Nederlanders, die vanouds bekend waren met de Chinese keuken, leidde vooral tot een grotere vraag naar tropische producten. De Chinese restaurants haalden hun personeel veelal uit China en uit Hongkong, hoewel zij voor Indische gerechten ook Indonesische kokkinnen aantrokken. 

De eerste Chinese eethuisjes

De eerste Chinese eethuisjes in Rotterdam en Amsterdam, maar ook in Den Haag, waren gericht op een Chinese klandizie, maar ook op migranten met een Aziatische achtergrond, zoals Indonesiërs. De eerste Nederlandse klanten waren kunstenaars, bohemiens, studenten en mensen die in Indië hadden gewerkt of hier hun verloftijd doorbrachten in de jaren '20 en '30. Teruggekeerde militairen uit de koloniën zorgden na de Tweede Wereldoorlog voor een grote vraag naar Chinese schotels. Door hun komst en die van koloniale migranten nam het aantal Chinese restaurants in de jaren vijftig en zestig spectaculair toe. Dat gold niet alleen voor de grote steden, zoals Den Haag en Rotterdam, met tientallen eethuisjes. In vrijwel elke Nederlandse gemeente opende in die tijd één of meerdere Chinese restaurants hun deuren. 

Indische invloed

Na het einde van de onafhankelijkheidsoorlog (1949) in het voormalig Nederlands-Indië, kwamen 100.000 Nederlandse soldaten - met in hun kielzog honderdduizenden Indische migranten - naar het vaderland overzee. Ondernemers uit deze groep openden al snel Indische eethuizen en toko’s, dus zaakjes waar Aziatische producten en specerijen te koop waren. Ook werd een deel van de Indische Nederlanders goede klanten van de al bestaande Chinese restaurants, omdat ze vanuit de kolonie bekend waren met de Oosterse keuken. Chinese restauranthouders breidden hun menu daarom uit met gerechten als nasi goreng, foe yong hai en babi pangang. Voor de bereiding hiervan namen ze speciaal Indonesische kokkinnen in dienst. Die fusie leidde tot het bekende verschijnsel van het Chinees-Indische restaurant. Steeds meer restauranthouders kozen in de jaren vijftig en zestig - en ook wel later - voor deze populaire keuken.

Het succes van het Chinese restaurant

Vlak na de oorlog telde Nederland slechts enige tientallen Chinese en Chinees-Indische restaurants, die vooral in de grote steden waren gevestigd. In de jaren daarna kwamen steeds meer Nederlanders in aanraking met het aan de Hollandse smaak aangepaste Oosterse eten. Bovendien nam in de jaren zestig de welvaart toe, waardoor het gemiddelde Nederlandse gezin meer te besteden kreeg. Uit eten gaan werd populair en bij ‘de Chinees’ kon dat tegen een betaalbare prijs: de klant kreeg grote porties voor weinig geld. Het succes bij het publiek zorgde ervoor dat meer Chinezen naar Nederland migreerden en in dienst traden van een bevriende restauranthouder - en op den duur een eigen zaak begonnen. De jaren ’50, ’60 en ’70 gelden als de glorietijd van de Chinese restaurants in Nederland. In de weekenden en op feestdagen stonden de rijen tot ver buiten de restaurants. Sommige restauranthouders zetten zelfs bordjes op de tafels met: ‘gelieve bij grote drukte uw tafel z.s.m. te verlaten.’

Neergang

In 1982 kende Nederland bijna 2.000 Chinese restaurants. Een derde van het totale aantal restaurants in Nederland. De markt voor de Chinese horecasector raakte toen langzaam verzadigd. Bovendien kwam er concurrentie van McDonalds en andere fastfoodketens en van Griekse en Italiaanse restaurants. Hierdoor en vanwege de recessie in de jaren ’80 zag een deel van de Chinese restauranthouders zich genoodzaakt hun zaak te sluiten. Een belangrijker trend was de overgang naar de gespecialiseerde, traditionele Chinese keuken. Zij boorden een nieuw segment aan van de steeds internationaler wordende smaak van mensen. Niet alleen leerden Chinese migranten de Nederlanders vanaf de jaren zestig buiten de deur te eten, de buurt-Chinees is ook een ingeburgerd fenomeen geworden.

Van
Naar

Poolse arbeidsmigranten

Al jaren vormen Polen de snelst groeiende migrantengroep in Nederland. De aanwezigheid van Polen in Nederland valt niet los te zien van de ontwikkelingen in de Europese Unie. Sinds 2004 kunnen Polen vrij door Europa reizen. Wel hadden ze de eerste tijd nog een vergunning nodig om in Nederland aan de slag te kunnen. Na drie jaar verviel die verplichting.

Periode
Van
Naar
De kinderen Rijkschroeff in 1951 op stap in Scheveningen waar ze verbleven na hun aankomst in Nederland

Nederlands-Indische repatrianten

In de twintig jaar na de onafhankelijkheid van Indonesië vertrokken ruim 200.000 Nederlanders uit de Oost. Zij werden gezien als landgenoten die zich weer in het vaderland vestigden. Dat verklaart het officiële gebruik van de term ‘repatriant’. Het ging inderdaad om Nederlanders, maar ongeveer tweederde van hen kwam ter wereld in Indië.

Periode
Naar

Armenen en Arameërs uit Turkije

Tussen 1976 en 1983 vroegen ongeveer 3.100 christenen die in Turkije leefden, zowel Armenen als Arameërs, asiel aan in Nederland. Spanningen met Koerden in Tur Abdin en het ontbreken van effectieve bescherming door de Turkse autoriteiten hadden hen naar Duitsland, Nederland en vooral Zweden doen vluchten. In Nederland kwamen deze Armenen en Arameërs overwegend in Twente terecht. Zij trokken in bij de tientallen geloofsgenoten die in de tien jaar daarvoor als gastarbeiders naar Nederland waren gekomen. Nog altijd woont deze gemeenschap geconcentreerd in de regio. Zij kwamen uit Tur Abdin, een klein gebied in Zuidoost-Turkije. Velen van hen waren familie of dorpsgenoten die elkaar naar Nederland volgden. Nederland keurde asielaanvragen van deze migranten niet onmiddellijk goed. De overheid was bang dat zij banen van de lokale bevolking zouden 'inpikken'. Ook wilde zij voorkomen dat er nog meer Turken naar Nederland kwamen. Na vaak jarenlang procederen kregen veel Armenen en Arameërs een humanitaire status. Een vluchtelingenstatus kregen zij niet, omdat zij volgens Justitie niet werden vervolgd door de overheid. Door het bezetten van kerken wisten zij de publieke opinie succesvol te beïnvloeden en kregen vooral vanuit kerkelijke hoek steun.

Periode
Van
Naar
Italianen in het gezellenhuis te Leyenbroek-Sittard

Mijnwerkers uit Italië

In de Nederlandse mijnen werkten vanaf het begin van de 20ste eeuw veel buitenlanders, onder wie een klein aantal Italianen. Zij waren afkomstig uit het noorden van Italië en hadden voor hun komst vaak in het Duitse Ruhrgebied gewerkt of in de Belgische en Franse mijnen. Het kleine aantal Italiaanse mijnwerkers steeg in de jaren '20, maar nam weer af tijdens de economische crisis in de jaren '30. Na de Tweede Wereldoorlog trok de economie weer aan. De Nederlandse regering sloot in 1949 een wervingscontract met Italië, bedoeld om arbeiders voor de mijnen in Limburg te werven. Eind 1957 stopte de werving van Italianen voor de mijnen omdat het aanbod van Nederlandse arbeidskrachten groter werd.

1900-1930

In de eerste twintig jaar van de twintigste eeuw emigreerde een groot aantal Italianen naar Noordwest-Europa. Economische motieven speelden hierbij een belangrijke rol. Veel arme boeren uit Noord-Italië verdienden te weinig om fatsoenlijk te kunnen leven en trokken daarom noordwaarts. In eerste instantie was het Ruhrgebied het reisdoel. Vanwege de Eerste Wereldoorlog, en daarop volgend, de economische crisis in Duitsland trokken veel Italianen echter weer weg uit het Ruhrgebied. Sommigen keerden terug naar Italië, maar een groot deel probeerde werk te zoeken in de mijnen in Noord-Frankrijk en België. Toen eind jaren ’20 ook daar de economische situatie verslechterde trokken veel Italianen naar Limburg, vooral naar Heerlen. Daar waren de mijnen moderner en was er nog genoeg werk tegen goede lonen. Aan het begin van de jaren ’20 waren er maar enkele tientallen Italianen in Limburg. Dit aantal groeide naar zo’n 250 in begin jaren ’30.

De mijnwerkers werden door hun werkgever vaak gedwongen om in kolonies te wonen. Daar woonden alle Italiaanse mijnwerkers bij elkaar tegen vaak hogere huurprijzen dan huizen buiten de kolonies. Daarnaast was er weinig contact met Italianen uit andere beroepsgroepen. De kleine groep terrazowerkers in Limburg was een vrij besloten groep en stond hoger op de sociale ladder dan de vaak ongeschoolde mijnwerkers.

Na de crisis

Vergeleken met andere buitenlandse mijnwerkers in Limburg (Polen, Slovenen, Duitsers) waren de Italianen relatief goed af na de economische crisis van de jaren ’30. Ongeveer de helft van de mijnwerkers verloor zijn baan in de mijnen, maar velen vonden nieuw werk als terrazowerker of in andere beroepsgroepen. Ook waren er, vergeleken met de andere buitenlandse mijnwerkers, veel huwelijken tussen Italiaanse mannen en Nederlandse vrouwen. Deze vrouwen kregen dan de Italiaanse nationaliteit, waardoor Italiaanse gemeenschap in Limburg, ondanks de economische crisis, groeide. Daarnaast werd in 1932 een Italiaanse school geopend in Heerlen. Deze werd voor het grootste deel vanuit het fascistische regime in Italië gefinancierd en stond dus ook in het teken van het Italiaanse nationalisme. Hoewel er veel kritiek op de school was stuurden velen hun kinderen er wel heen. Dit vanwege de financiële aantrekkelijkheid (de school was gratis) en de politieke druk. Ook ontstond er een afdeling van de Italiaanse fascistische partij in Limburg (de ‘Fasco’). Zij organiseerden in de jaren ’30 verschillende activiteiten zoals toneel- en dansavonden. Het lidmaatschap van deze afdeling kwam vaak tot stand door politieke druk vanuit Italië en de Italiaanse vice-consul in Nederland. Tijdens de oorlog zelf kwamen de Italianen ineens aan de kant van de Duitsers te staan. In sommige gevallen werden ze beter behandeld dan de Nederlanders. Zo kregen Italianen die hun kinderen naar de Italiaanse school stuurden extra voedselbonnen. Aan de andere kant betekende de oorlog ook dat veel Italiaanse mannen werden opgeroepen voor militaire dienst.

Mijnwerkers na de Tweede Wereldoorlog

Toen de mijnen na de oorlog weer werden geopend was er ook weer snel behoefte aan buitenlandse arbeiders. Vanaf 1949 werd er weer actief geworven in Noord-Italië. Veel van deze nieuwe mijnwerkers bleven maar een of twee jaar in Nederland en keerden daarna terug. Zij trokken veel op met de al bestaande groep Italianen. Dit was niet het geval met de groep Italianen die in de tweede helft van de jaren ’50 naar Zuid-Limburg kwam. Zij waren veelal afkomstig uit het midden en zuiden van Italië en van Sardinië. In de ogen van de groep vooroorlogse mijnwerkers waren zij onbeschoft en paste hun gedrag niet bij de Nederlandse maatschappelijke normen. Zij zagen hun zorgvuldig opgebouwde reputatie een deuk oplopen door het gedrag van de nieuwe groep Italianen. Er was dan ook weinig contact tussen de twee groepen. In de jaren ’50 en ’60 ontstonden er in Limburg verschillende Italiaanse verenigingen. Zo werden er in 1959 Italiaanse huizen opgezet in Sittard en Heerlen. Ook kwam er een Italiaanse zielzorger en een Italiaanse katholieke arbeidersorganisatie. Deze organisaties waren vooral gericht op de naoorlogse Italianen. De kloof tussen hun vooroorlogse landgenoten bleef bestaan.

Periode
Van
Naar