Periode

1900-1945

In de eerste helft van de 20ste eeuw nam het aantal migranten in Nederland sterk toe ten opzichte van de eeuw ervoor. Het aantal vluchtelingen steeg explosief door de Eerste Wereldoorlog en door naoorlogse politieke veranderingen in Europa. Nederland bleef tijdens de oorlog neutraal, maar ving wel honderdduizenden burgers en tienduizenden militairen op. De meesten van hen vertrokken uiteindelijk weer, maar vluchtelingen voor de Russische Revolutie en daarna het Naziregime in Duitsland namen hun plaats in. Naast vluchtelingen kwamen ook veel arbeidsmigranten naar Nederland. Duitsland was totaal berooid na de Eerste Wereldoorlog en de bevolking had het zwaar in die periode. De situatie in Nederland stak hier gunstig bij af, vandaar dat veel Duitsers hier naartoe trokken. De landbouwsector was gemoderniseerd en had geen trekarbeiders meer nodig. Wel was er veel vraag naar arbeidskrachten in fabrieken, mijnen en in particuliere huishoudens.

Nederlandse sinologen in Nederlands-Indië

Koen van der Lijn schreef deze bijdrage naar aanleiding van zijn presentatie “Tussen Tabak en Tandils: de rol van Nederlandse sinologen in het werven van Chinese contractarbeiders” tijdens de CGM-studiedag van 2024. 

Al voor de komst van de Nederlanders woonden er Chinezen in Nederlands-Indië. Door de eeuwen heen speelden de honderdduizenden Chinezen een steeds prominentere rol in de koloniale samenleving. Zij werden tot op zekere hoogte bestuurd door hoofden uit hun eigen gemeenschap, een unieke positie binnen de koloniale structuur. In de negentiende eeuw nam hun aantal drastisch toe door de komst van duizenden Chinese contractarbeiders. Deze ontwikkeling onderstreepte het groeiende belang van kennis van de Chinese taal en cultuur, wat uiteindelijk leidde tot de oprichting van de opleiding Sinologie in Leiden.

Van Zuid-Holland naar Zuid-China

In de negentiende eeuw werden in totaal 24 sinologen opgeleid met als doel om als tolken te fungeren in Nederlands-Indië. Deze Chinadeskundigen specialiseerden zich in Zuid-Chinese talen zoals Hakka, Hokkien, en Kantonees, aangezien de meeste Chinezen in Nederlands-Indië afkomstig waren uit de zuidelijke provincies Fujian en Guangdong, waar deze talen werden gesproken. Aan het Mantsjoe hof in Beijing werd echter het noordelijke Mandarijn Chinees gebruikt, wat deze focus op Zuid-Chinese talen extra belangrijk maakte.

Na hun studie in Nederland, brachten de tolken in opleiding enige tijd door in Xiamen (Amoy) en Guangzhou (Kanton) om hun taalvaardigheid verder te ontwikkelen. De grote variëteit aan Zuid-Chinese talen maakte de keuze voor één enkele taal uitdagend. Na hun studie in Nederland en Zuid-China trokken zij naar Nederlands-Indië, waar ze in dienst traden van de koloniale overheid op diverse locaties.

Het werk van de sinologen in de kolonie was divers en veranderde  door de jaren heen. Hun taken reikten verder dan enkel tolken voor de Chinese gemeenschap in Nederlands-Indië. Al snel werden zij ook ingezet als adviseurs, betrokken bij diplomatieke onderhandelingen, de werving van contractarbeiders, en fungeerden zij als inspecteurs die de werkomstandigheden van de Chinese contractarbeiders moesten beoordelen.

Chinese Contractarbeid

Een van de meest cruciale kwesties voor Nederlandse sinologen werkzaam voor de koloniale overheid was de Chinese contractarbeid. De sinologen kwamen in diverse rollen in contact met de vaak laagopgeleide Zuid-Chinese arbeiders.

Twee vooraanstaande sinologen, Jan Jakob Maria de Groot (1854-1921) en Bernardus Hoetink (1854-1927), reisden in de late 19e eeuw naar Zuid-China om de werving van Chinese contractarbeiders te realiseren. Omdat er geen directe migratie van arbeiders vanuit China naar Nederlands-Indië bestond, waren Nederlandse ondernemers gedwongen om duurdere arbeiders via tussenpersonen in Singapore te werven. Dankzij de inspanningen van deze sinologen werd directe migratie mogelijk gemaakt, waarbij J.J.M. de Groot samenwerkte met Duitse stoomvaartmaatschappijen.

De geworven contractarbeiders werkten onder zware omstandigheden op plantages in Sumatra en in de mijnen van Bangka en Belitung. Deze erbarmelijke werkomstandigheden waren onderwerp van veel debat in Nederland in de vroege 20e eeuw. Sinologen zoals Hoetink kregen de taak om als arbeidsinspecteurs op te treden, waarbij zij vaak de lastige positie innamen tussen het bagatelliseren van de ernst van de situatie en hun morele verplichting om de waarheid te rapporteren.

De in Nederland en China opgeleide sinologen balanceerden tussen meerdere werelden. Hun taken veranderden in de loop der tijd en velen uit deze eerste groep Chinakenners publiceerden belangrijke werken die een fundamentele bron van kennis over China vormden voor Nederland. Tot aan de onafhankelijkheid van Indonesië bleef de Nederlandse koloniale administratie de belangrijkste werkgever voor Nederlandse sinologen.

Verder lezen

Benton, Gregor. Chinese Indentured Labour in the Dutch East Indies, 1880-1942: Tin, Tobacco,  Timber, and the Penal Sanction. 1st ed. Cham: Springer International Publishing AG,  2022. 

Dongen, Frans van. Tussen Neutraliteit En Imperialisme: De Nederlands Chinese Betrekkingen van 1863 Tot 1901. Groningen: Wolters, 1966.

Kuiper, Koos. The Early Dutch Sinologists (1854-1900): Training in Holland and China,Functions in the Netherlands Indies. Leiden: Brill, 2017.

 

Motief
Van
Naar
Uitreiking van koffie en gebak door medewerkers Canadese Rode Kruis aan Nederlandstalige emigranten (1948)

Nederlandse landverhuizers naar Canada

Vóór het begin van de twintigste eeuw was Canada geen populaire emigratiebestemming voor Nederlanders. De meeste overzeese landverhuizers migreerden naar de Verenigde Staten omwille van het mildere klimaat en het open immigratiebeleid van de VS. Ook buurland Duitsland trok veel Nederlandse arbeidsmigranten aan, met name om te werken in de bouw of de spoorwegindustrie in het Ruhrgebied. Tussen 1881 en 1901 schommelde het aantal inwoners van Nederlandse afkomst in Canada aanhoudend tussen 30 000 en 33 000. Die curve zou echter snel de hoogte ingaan tijdens de eerste decennia van de twintigste eeuw.

Na de Eerste Wereldoorlog sloeg het open immigratiebeleid van de VS om in strenge, selectieve houding, met name tegenover nieuwkomers uit Zuid- en Oost-Europa. Anders dan de VS voerden de Canadese overheid en de Canadese spoorwegmaatschappijen al lange tijd campagne voor meer Europese vestiging in het westen van het land. Bovendien speelden scheepvaartmaatschappijen zoals de Holland-Amerika Lijn in op het veranderend migratiebeleid van de VSA en Canada door de reis van Nederland naar Canada goedkoper te maken. De maatregelen hadden effect. Steeds vaker kozen Nederlanders op zoek naar werk in het buitenland voor Canada. Tegen 1931 was het aantal in Nederland geboren inwoners in Canada toegenomen tot 148.962 inwoners. De meeste onder hen vestigden zich in het zuiden van de provincies Ontario, Alberta en British Columbia.  

De snelle toename van emigratie naar Canada bleek echter van korte duur. In de vroege jaren 1930 destabiliseerde de globale economische crisis ook de Canadese economie. Om de toenemende werkloosheid het hoofd te bieden, implementeerde de Canadese overheid een strikter immigratiebeleid. De Canadese grenzen gingen dicht voor Nederlandse landverhuizers. Enkel wie kwam in het kader van gezinshereniging of voldoende kapitaal bezat om een eigen landbouwbedrijf op te starten, kreeg nog toestemming om zich in Canada te vestigen.

Foto

'Uitreiking van koffie en gebak door medewerkers Canadese Rode Kruis aan Nederlandse emigranten' (1948), Anefo - Nationaal Archief. 

Meer lezen?

Obdeijn, Herman en Marlou Schrover, ‘Komen en gaan. Immigratie en emigratie in Nederland vanaf 1550’  (Amsterdam 2008).

https://www.vpro.nl/speel~POMS_VPRO_215519~emigratie-naar-canada-andere-tijden~.html

Hartland, J.A.A., De geschiedenis van de Nederlandse emigratie tot de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam 1959).

Periode
Motief
Van
Naar

Griekse zeelieden

In Rotterdam bevond zich vóór de Tweede Wereldoorlog een kleine gemeenschap van voormalige Griekse zeelieden die zich bezighielden met aan de scheepvaart gerelateerde activiteiten. Naast scheepsbevoorraders en scheepsagenten kon men in het havengebied ook Griekse cafés en restaurants aantreffen. Afgemonsterde zeelieden deden er boodschappen voor scheepsbemanningen. Ze probeerden kleine artikelen zoals sigaretten en chocolade op hun handkarren te verkopen of vanaf de motorbootjes waarmee ze langs de schepen voeren.

Periode
Naar
Koelies aan het werk op een tabaksplantage van de Amsterdam Deli Compagnie bij Medan

Contractarbeiders uit China

Koen van der Lijn schreef deze bijdrage naar aanleiding van zijn presentatie “Tussen Tabak en Tandils: de rol van Nederlandse sinologen in het werven van Chinese contractarbeiders” tijdens de CGM-studiedag van 2024. 

Met de afschaffing van de slavernij in zicht ontstond in de Nederlandse koloniën al snel een grote vraag naar goedkope arbeid, zowel in Suriname als in Nederlands-Indië. Met name op plantages in Deli, in het toenmalige Nederlands-Indië, was de vraag groot. Ook in de tinmijnen op de eilanden Bangka en Belitung was er veel vraag. Een oplossing werd gevonden in contractarbeiders uit China.

Werving van contractarbeiders

Chinese migratie naar de kustregio’s in de Zuid-Chinese Zee was geen nieuw verschijnsel: Chinezen woonden al in de Indonesische archipel lang voor de aankomst van de VOC. In de negentiende eeuw veranderde de migratie echter drastisch qua omvang en bestemming. Zuid-China leed onder droogtes, overstromingen, economische concurrentie door Westerse inmenging, en burgeroorlogen zoals de Taiping (1850-1864).

Tegen deze achtergrond kwam de werving van Chinese arbeiders voor de Nederlandse koloniën tot stand. De arbeiders werden “koelies” genoemd, een term afkomstig uit het Hindi die in de Nederlandse koloniale context vooral betrekking had tot koloniale contractarbeiders uit India, Java, en China. De Chinese overheid stond echter onwelwillend tegenover de koeliehandel. Directe migratie uit China was illegaal, waardoor het lastig was om arbeiders rechtstreeks te werven.

In de jaren '50, '60 en '70 van de 19e eeuw wierf Suriname grofweg 2630 Chinese contractarbeiders. Deze arbeiders werden gerekruteerd in Guangzhou en Java en vertrokken vanuit Portugees Macau, Brits Hong Kong en Jakarta richting Suriname. Vergeleken met het aantal contractarbeiders dat naar Suriname ging was het aantal contractarbeiders in Nederlands-Indië substantieel groter. De tientallen plantages aan de oostkust van Sumatra wierven hun arbeiders aanvankelijk in Singapore, een hub waar veel Chinese contractarbeiders heen werden gebracht vanuit Zuid-China. Deze Britse kolonie huisvestte een groot aantal Chinezen, waaronder Peranakan Chinezen en de Chinese koelies van het vasteland. Europese en vooral Chinese tussenpersonen rekruteerden laaggeschoolde, vaak ongeletterde Chinezen onder valse voorwaarden voor overzees werk.  Voor en na de overtocht verbleven de arbeiders in zogenaamde koeliedepots. Zelfs vrije migranten die in Singapore aankwamen, werden ter plekke nog gerekruteerd voor contractarbeid.

Zware arbeid

Kenmerkend voor de Chinese migratie was dat vrijwel alleen mannen werden gerekruteerd. Eenmaal aangekomen op de plaats van bestemming tekende de arbeider een contract, meestal verzegeld van een vingerafdruk. De contracten beschreven de werkzaamheden van de arbeiders, bepaalden het loon en stelden een termijn vast – meestal drie tot vijf jaar, waarna de arbeider vrij was om een nieuw contract te sluiten of terug te keren naar het land van herkomst.

De arbeiders werkten lange dagen, grofweg 12 tot 14 uur per dag. Het werk op de plantages en in de mijnen was fysiek erg zwaar. Ze waren belast met taken zoals het kappen van suikerriet en jungle. Dit alles gebeurde onder extreme weersomstandigheden.

De contractarbeiders woonden in overbevolkte hutten en barakken zonder enige privacy. De voeding van de arbeiders was eentonig en beperkt, met als grote vuller erg voedzame rijst.

Bovendien had de Nederlandse koloniale staat in 1880 de poenale sanctie ingevoerd als onderdeel van de koelieordonnantie. Dit gaf de Nederlandse ondernemers de macht om zowel politie als rechter te zijn en resulteerde in grote misstanden: contractarbeiders waren volledig overgeleverd aan de ondernemers die uit waren op zo veel mogelijk winst.

Chinese bescherming

De slechte werkomstandigheden waren bekend bij de Chinese regering. Sinds de jaren 1870 nam de Qing dynastie steeds meer maatregelen om overzeese Chinezen te beschermen. Ook de situatie van Chinese contractarbeiders in Nederlands-Indië werd nauwlettend gevolgd. De Nederlandse koloniale overheid wilde echter geen inmenging van China en hield officiële Chinese consulaire bescherming zo lang mogelijk buiten Nederlands-Indië.

Chinese diplomaten deden meerdere verzoeken tot toelating van Chinese consuls aan Nederland. Consuls werden snel toegelaten in Britse koloniën en op veel andere plaatsen waar Chinese arbeiders werkten. Hoewel de diplomatieke vertegenwoordigingen van China zich steeds verder uitbreiden, werden laaggeschoolde Chinese arbeiders steeds vaker buitengesloten – het bekendste voorbeeld is de Chinese Exclusion Act van 1882, waardoor laaggeschoolde, Chinese arbeiders tientallen jaren niet naar de Verenigde Staten mochten migreren en soortgelijke wetten in Australië (1881 en 1887) en Nieuw Zeeland

De Nederlandse belanghebbende ondernemers in Deli verenigden zich rond dezelfde tijd in de Deli Planters Vereeniging. Op aandringen van deze vereniging lukte het om met behulp van Duitse stoomvaartbedrijven directe migratie vanuit China naar Nederlands-Indië op te zetten. Op deze manier verzekerden ze zich van goedkopere, nieuwe arbeidskrachten.

Toch bleven de slechte werkomstandigheden van contractarbeiders, zowel inheemse als Chinese, niet onopgemerkt in Nederlands-Indië. Na de uitgave van De Millioenen uit Deli van Mr. J. van den Brand in 1902 trok de kwestie steeds meer aandacht. De Nederlandse overheid was bekend met de misstanden, maar het economische belang woog zwaarder dan het menselijke.

Chinese contractarbeiders bleven tot in het midden van de 20e eeuw werkzaam in de Nederlandse koloniën. Zij, evenals hun lotgenoten uit India en Java, speelden een cruciale rol in de economische ontwikkeling van de Nederlandse koloniale bezittingen.

Verder lezen

Benton, Gregor. Chinese Indentured Labour in the Dutch East Indies, 1880-1942: Tin,

Tobacco, Timber, and the Penal Sanction. 1st ed. Cham: Springer International Publishing AG, 2022.

Bosma, Ulbe, The Making of a Periphery. How Island Southeast Asia Became a Mass Exporter of Labor. Columbia University Press, New York 2019.

Breman, Jan. Koelies, planters en koloniale politiek: het arbeidsregime op de   grootlandbouwondernemingen aan Sumatra's Oostkust in het begin van de twintigsteeeuw. Dordrecht: Foris, 1987.

Dongen, Frans van. Tussen Neutraliteit En Imperialisme: De Nederlands Chinese Betrekkingen van 1863 Tot 1901. Groningen: Wolters, 1966.

Kuiper, Koos. The Early Dutch Sinologists (1854-1900): Training in Holland and China,Functions in the Netherlands Indies. Leiden: Brill, 2017.

 

 

Van
Naar

Zwitserse soldaten in het Koninklijk Nederlands-Indische Leger (KNIL)

Na 1800 werd Indië officieel een Nederlandse kolonie. De naam veranderde toen in Nederlands-Indië. De V.O.C. werd opgeheven en haar bezittingen werden overgedragen aan de Nederlandse staat. In de plaats van het V.O.C.-leger kwam er een Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Zeelui die in dienst waren geweest van de VOC, kwamen nu in dienst van de Nederlandse staat. Het bleef overigens veel moeite kosten om voldoende personeel te vinden. Het KNIL richtte zich actief op werving dichtbij, namelijk in België en Duitsland, maar ook in andere landen zoals Zwitserland en zelfs in Ghana werden soldaten voor het Indische leger geworven. Bekend zijn ook de Molukkers die voor het KNIL werkzaam waren.

Naar

Sinti uit België

Al vanaf de jaren '30 van de 19e eeuw kwamen geregeld Duitse en Belgische gezinnen naar Nederland die de kost verdienden met het maken van muziek op straat en in cafés. Daarna met het vertonen van allerlei kunsten. Lange tijd vielen zij nauwelijks op, omdat ze in herbergen en bij boeren en in logementen verbleven. Toen aan het einde van de 19e eeuw de woonwagen opkwam, gingen zij - zoals veel Nederlanders - steeds meer over op deze nieuwe mobiele woonvorm. Pas in de loop van de jaren '20 ging de marechausse ertoe over om hen ook als 'zigeuners' te bestempelen. In hun ogen waren het immers ook rondtrekkende gezinnen met een buitenlandse achtergrond. Hoewel sommigen zich stelselmatig aan diefstallen en oplichting schuldig maakten, verdienden de meesten eerlijk de kost met het maken van muziek. Vaak op straat, maar steeds meer ook met orkesten in grand-café's en restaurants. In de oorlog kwamen zo'n 200 van hen om in Auschwitz, omdat de Nazi's hen, net als joden, als een minderwaardig ras beschouwden. Vanaf de jaren '70 staat deze groep bekend als 'Sinti' en tegenwoordig worden hun belangen door een eigen vereniging behartigd. Bekende Sinti-orkesten zijn het koninklijk zigeunerorkest Tata Mirando (van de familie Weiss), Gregor Serban, Lajos Veres, de Basili's en het Rosenberg trio.

Van
Naar

Roma uit Hongarije

Omstreeks 1900 verschenen er kleine groepjes paardenhandelaren uit Noorwegen en Zweden die met hun gezinnen in woonwagens door het land trokken. Zij werden al snel als 'zigeuners' bestempeld door Nederlandse overheden. Aangezien zij als ongewenste vreemdelingen werden beschouwd, maakten politie en marechaussee hun het leven nogal lastig. Omdat de meesten over geldige paspoorten en voldoende inkomsten beschikten, konden ze echter niet zomaar over de grens worden gezet. Deze paardenhandelaren, van wie de voorouders waarschijnlijk uit Hongarije kwamen, verdienden goed geld met het verhandelen van zogenaamde 'hitten': kleine, maar sterke paarden die voor de oorlog volop werden gebruikt in de handel en het transport. Ze verhandelden hun paarden op markten in Noord-Frankrijk, België en Nederland. Een aantal van hen, onder wie de familie Petalo, zou voorgoed in Nederland blijven. In mei 1944 zijn Roma en Sinti bij een razzia opgepakt en via Westerbork naar Auschwitz gestuurd. Van de 245 Nederlandse Roma en Sinti zouden er slechts zo'n dertig overleven.

Van
Naar

Pleegkinderen uit Oostenrijk

Na de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) kwamen meer dan 150.000 kinderen voor een vakantie bij Nederlandse pleegouders. Het overgrote deel kwam uit Hongarije, maar ook Oostenrijkse kinderen werden voor een tijdje naar Nederland gehaald. Nederlandse hulporganisaties regelden de vakanties. De Oostenrijkse kinderen waren ondervoed en sterk verzwakt. De situatie in Oostenrijk was ellendig. Het land was één van de verliezers van de oorlog en had veel grondgebied verloren aan buurlanden.

Opvang in Nederland

De tijdelijke komst van buitenlandse pleegkinderen was een nieuw fenomeen. Verschillende landelijke organisaties, van katholieke, protestantse of socialistische signatuur werden opgezet om de komst en opvang van de kinderen te organiseren. Onder deze landelijke organisaties  viel een netwerk van lokale commissies. Deze burgercomité’s zamelden geld in, zochten naar geschikte pleeggezinnen en regelden het vervoer van de kinderen vanuit Wenen naar hun plaats van bestemming. Hoewel het de bedoeling was dat de kinderen tijdelijk in Nederland zouden vertoeven, is zeker dat een deel uiteindelijk nooit meer is teruggegaan naar het land van herkomst.

Periode
Naar

Oostenrijks-Joodse vluchtelingen Nazi-regime

Toen Hitler in 1933 in Duitsland aan de macht kwam, probeerden veel joden naar het buitenland te vluchten. Hoeveel joodse vluchtelingen tussen 1933 en 1940 naar Nederland zijn gekomen is niet bekend. Schattingen lopen uiteen van 35.000 tot maximaal 50.000 vluchtelingen. Daarvan keerde een deel terug of emigreerde naar andere landen. De meeste joodse vluchtelingen kwamen uit Duitsland. Het overgrote deel had de Duitse nationaliteit, de rest had de Poolse nationaliteit of was statenloos. Een klein deel van de joodse vluchtelingen kwam uit Oostenrijk.

Periode
Naar