Periode

1900-1945

In de eerste helft van de 20ste eeuw nam het aantal migranten in Nederland sterk toe ten opzichte van de eeuw ervoor. Het aantal vluchtelingen steeg explosief door de Eerste Wereldoorlog en door naoorlogse politieke veranderingen in Europa. Nederland bleef tijdens de oorlog neutraal, maar ving wel honderdduizenden burgers en tienduizenden militairen op. De meesten van hen vertrokken uiteindelijk weer, maar vluchtelingen voor de Russische Revolutie en daarna het Naziregime in Duitsland namen hun plaats in. Naast vluchtelingen kwamen ook veel arbeidsmigranten naar Nederland. Duitsland was totaal berooid na de Eerste Wereldoorlog en de bevolking had het zwaar in die periode. De situatie in Nederland stak hier gunstig bij af, vandaar dat veel Duitsers hier naartoe trokken. De landbouwsector was gemoderniseerd en had geen trekarbeiders meer nodig. Wel was er veel vraag naar arbeidskrachten in fabrieken, mijnen en in particuliere huishoudens.

Griekse zeelieden

In Rotterdam bevond zich vóór de Tweede Wereldoorlog een kleine gemeenschap van voormalige Griekse zeelieden die zich bezighielden met aan de scheepvaart gerelateerde activiteiten. Naast scheepsbevoorraders en scheepsagenten kon men in het havengebied ook Griekse cafés en restaurants aantreffen. Afgemonsterde zeelieden deden er boodschappen voor scheepsbemanningen. Ze probeerden kleine artikelen zoals sigaretten en chocolade op hun handkarren te verkopen of vanaf de motorbootjes waarmee ze langs de schepen voeren.

Periode
Naar

Zwitserse soldaten in het Koninklijk Nederlands-Indische Leger (KNIL)

Na 1800 werd Indië officieel een Nederlandse kolonie. De naam veranderde toen in Nederlands-Indië. De V.O.C. werd opgeheven en haar bezittingen werden overgedragen aan de Nederlandse staat. In de plaats van het V.O.C.-leger kwam er een Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Zeelui die in dienst waren geweest van de VOC, kwamen nu in dienst van de Nederlandse staat. Het bleef overigens veel moeite kosten om voldoende personeel te vinden. Het KNIL richtte zich actief op werving dichtbij, namelijk in België en Duitsland, maar ook in andere landen zoals Zwitserland en zelfs in Ghana werden soldaten voor het Indische leger geworven. Bekend zijn ook de Molukkers die voor het KNIL werkzaam waren.

Naar

Sinti uit België

Al vanaf de jaren '30 van de 19e eeuw kwamen geregeld Duitse en Belgische gezinnen naar Nederland die de kost verdienden met het maken van muziek op straat en in cafés. Daarna met het vertonen van allerlei kunsten. Lange tijd vielen zij nauwelijks op, omdat ze in herbergen en bij boeren en in logementen verbleven. Toen aan het einde van de 19e eeuw de woonwagen opkwam, gingen zij - zoals veel Nederlanders - steeds meer over op deze nieuwe mobiele woonvorm. Pas in de loop van de jaren '20 ging de marechausse ertoe over om hen ook als 'zigeuners' te bestempelen. In hun ogen waren het immers ook rondtrekkende gezinnen met een buitenlandse achtergrond. Hoewel sommigen zich stelselmatig aan diefstallen en oplichting schuldig maakten, verdienden de meesten eerlijk de kost met het maken van muziek. Vaak op straat, maar steeds meer ook met orkesten in grand-café's en restaurants. In de oorlog kwamen zo'n 200 van hen om in Auschwitz, omdat de Nazi's hen, net als joden, als een minderwaardig ras beschouwden. Vanaf de jaren '70 staat deze groep bekend als 'Sinti' en tegenwoordig worden hun belangen door een eigen vereniging behartigd. Bekende Sinti-orkesten zijn het koninklijk zigeunerorkest Tata Mirando (van de familie Weiss), Gregor Serban, Lajos Veres, de Basili's en het Rosenberg trio.

Van
Naar

Roma uit Hongarije

Omstreeks 1900 verschenen er kleine groepjes paardenhandelaren uit Noorwegen en Zweden die met hun gezinnen in woonwagens door het land trokken. Zij werden al snel als 'zigeuners' bestempeld door Nederlandse overheden. Aangezien zij als ongewenste vreemdelingen werden beschouwd, maakten politie en marechaussee hun het leven nogal lastig. Omdat de meesten over geldige paspoorten en voldoende inkomsten beschikten, konden ze echter niet zomaar over de grens worden gezet. Deze paardenhandelaren, van wie de voorouders waarschijnlijk uit Hongarije kwamen, verdienden goed geld met het verhandelen van zogenaamde 'hitten': kleine, maar sterke paarden die voor de oorlog volop werden gebruikt in de handel en het transport. Ze verhandelden hun paarden op markten in Noord-Frankrijk, België en Nederland. Een aantal van hen, onder wie de familie Petalo, zou voorgoed in Nederland blijven. In mei 1944 zijn Roma en Sinti bij een razzia opgepakt en via Westerbork naar Auschwitz gestuurd. Van de 245 Nederlandse Roma en Sinti zouden er slechts zo'n dertig overleven.

Van
Naar

Pleegkinderen uit Oostenrijk

Na de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) kwamen meer dan 150.000 kinderen voor een vakantie bij Nederlandse pleegouders. Het overgrote deel kwam uit Hongarije, maar ook Oostenrijkse kinderen werden voor een tijdje naar Nederland gehaald. Nederlandse hulporganisaties regelden de vakanties. De Oostenrijkse kinderen waren ondervoed en sterk verzwakt. De situatie in Oostenrijk was ellendig. Het land was één van de verliezers van de oorlog en had veel grondgebied verloren aan buurlanden.

Opvang in Nederland

De tijdelijke komst van buitenlandse pleegkinderen was een nieuw fenomeen. Verschillende landelijke organisaties, van katholieke, protestantse of socialistische signatuur werden opgezet om de komst en opvang van de kinderen te organiseren. Onder deze landelijke organisaties  viel een netwerk van lokale commissies. Deze burgercomité’s zamelden geld in, zochten naar geschikte pleeggezinnen en regelden het vervoer van de kinderen vanuit Wenen naar hun plaats van bestemming. Hoewel het de bedoeling was dat de kinderen tijdelijk in Nederland zouden vertoeven, is zeker dat een deel uiteindelijk nooit meer is teruggegaan naar het land van herkomst.

Periode
Naar

Oostenrijks-Joodse vluchtelingen Nazi-regime

Toen Hitler in 1933 in Duitsland aan de macht kwam, probeerden veel joden naar het buitenland te vluchten. Hoeveel joodse vluchtelingen tussen 1933 en 1940 naar Nederland zijn gekomen is niet bekend. Schattingen lopen uiteen van 35.000 tot maximaal 50.000 vluchtelingen. Daarvan keerde een deel terug of emigreerde naar andere landen. De meeste joodse vluchtelingen kwamen uit Duitsland. Het overgrote deel had de Duitse nationaliteit, de rest had de Poolse nationaliteit of was statenloos. Een klein deel van de joodse vluchtelingen kwam uit Oostenrijk.

Periode
Naar

Dienstbodes uit Oostenrijk

Tussen 1920 en 1940 kwamen er bijna 200.000 buitenlandse vrouwen naar Nederland om hier als dienstbode te werken. De meesten bleven maar kort en er was een groot verloop, maar op het hoogtepunt begin jaren '30 verbleven er wel 30.000. De grote meerderheid kwam uit Duitsland, een klein deel uit Oostenrijk, Tsjecho-Slowakije en Joegoslavië. De Randstad trok de meeste dienstbodes aan. In steden als Amsterdam, Den Haag, Haarlem en Hilversum woonden grote aantallen Duitse dienstbodes. Zij kwamen naar Nederland omdat Duitsland er na 1918 slecht aan toe was en veel mensen werkloos waren. In Nederland was volop werk voor dienstbodes. Dit beroep was bepaald niet populair onder Nederlandse vrouwen. Zij werkten liever in een fabriek of winkel waar ze meer verdienden en meer vrijheid hadden. Buitenlandse dienstbodes werden daarom met open armen ontvangen. Tienduizenden van hen zijn met Nederlandse mannen getouwd waardoor ze automatisch de Nederlandse nationaliteit kregen en een Nederlandse achternaam, en als immigranten grotendeels onzichtbaar zijn gebleven.

Naar

Griekse migratie als gevolg van de Megali Katastrofi

In het begin van de 20e eeuw is voor de Griekse migratie de periode van de Megali Katastrofi (grote catastrofe) van belang. Vanwege de Turkse overwinning op de Grieken in de stad Smyrna (Klein-Azië, het huidige Turkije), moesten meer dan een miljoen Grieken in 1922 hun geboortegrond ontvluchten. Zij vestigden zich voor een belangrijk deel op de Griekse eilanden in de Egeïsche Zee. Later vond een officiële uitwisseling plaats van Turkse minderheden in Griekenland en Griekse minderheden in Klein-Azië, zoals was vastgelegd in het Verdrag van Lausanne (1923). De officiële naam van de stad Smyrna was toen door de Turkse overheid al veranderd in de huidige naam: İzmir. De gevluchte Grieken vestigden zich niet alleen in Griekenland, maar trokken ook door naar andere delen van Europa en naar de Verenigde Staten. In Nederland richtte een aantal van hen ondernemingen op, waarmee zij in het spoor van eerder gemigreerde landgenoten traden.

Periode
Naar