Periode

1800-1900

In de periode 1800-1900 nam de migratie naar Nederland af, ook door het kwijtraken van de centrale positie in de internationale handel. Landen als Engeland, België en Duitsland kregen een voorsprong op het gebied van de industrialisatie. Zo maakte de snelle groei van het Ruhrgebied in Duitsland populair bij migranten die voorheen naar Nederland kwamen. Door de ontwikkeling van het snellere stoomschip werd in de tweede helft van de 19de eeuw ook Amerika een aantrekkelijk land om naartoe te migreren. Ook veel Nederlanders vertrokken naar elders, vooral boeren en landarbeiders. Zij bouwden in Amerika, Duitsland en België een nieuw bestaan op. Het aantal mensen dat Nederland verliet, overtrof in deze periode het aantal nieuwkomers.

Zwitserse soldaten in het Koninklijk Nederlands-Indische Leger (KNIL)

Na 1800 werd Indië officieel een Nederlandse kolonie. De naam veranderde toen in Nederlands-Indië. De V.O.C. werd opgeheven en haar bezittingen werden overgedragen aan de Nederlandse staat. In de plaats van het V.O.C.-leger kwam er een Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Zeelui die in dienst waren geweest van de VOC, kwamen nu in dienst van de Nederlandse staat. Het bleef overigens veel moeite kosten om voldoende personeel te vinden. Het KNIL richtte zich actief op werving dichtbij, namelijk in België en Duitsland, maar ook in andere landen zoals Zwitserland en zelfs in Ghana werden soldaten voor het Indische leger geworven. Bekend zijn ook de Molukkers die voor het KNIL werkzaam waren.

Naar

Sinti uit België

Al vanaf de jaren '30 van de 19e eeuw kwamen geregeld Duitse en Belgische gezinnen naar Nederland die de kost verdienden met het maken van muziek op straat en in cafés. Daarna met het vertonen van allerlei kunsten. Lange tijd vielen zij nauwelijks op, omdat ze in herbergen en bij boeren en in logementen verbleven. Toen aan het einde van de 19e eeuw de woonwagen opkwam, gingen zij - zoals veel Nederlanders - steeds meer over op deze nieuwe mobiele woonvorm. Pas in de loop van de jaren '20 ging de marechausse ertoe over om hen ook als 'zigeuners' te bestempelen. In hun ogen waren het immers ook rondtrekkende gezinnen met een buitenlandse achtergrond. Hoewel sommigen zich stelselmatig aan diefstallen en oplichting schuldig maakten, verdienden de meesten eerlijk de kost met het maken van muziek. Vaak op straat, maar steeds meer ook met orkesten in grand-café's en restaurants. In de oorlog kwamen zo'n 200 van hen om in Auschwitz, omdat de Nazi's hen, net als joden, als een minderwaardig ras beschouwden. Vanaf de jaren '70 staat deze groep bekend als 'Sinti' en tegenwoordig worden hun belangen door een eigen vereniging behartigd. Bekende Sinti-orkesten zijn het koninklijk zigeunerorkest Tata Mirando (van de familie Weiss), Gregor Serban, Lajos Veres, de Basili's en het Rosenberg trio.

Van
Naar

Roma uit Hongarije

Omstreeks 1900 verschenen er kleine groepjes paardenhandelaren uit Noorwegen en Zweden die met hun gezinnen in woonwagens door het land trokken. Zij werden al snel als 'zigeuners' bestempeld door Nederlandse overheden. Aangezien zij als ongewenste vreemdelingen werden beschouwd, maakten politie en marechaussee hun het leven nogal lastig. Omdat de meesten over geldige paspoorten en voldoende inkomsten beschikten, konden ze echter niet zomaar over de grens worden gezet. Deze paardenhandelaren, van wie de voorouders waarschijnlijk uit Hongarije kwamen, verdienden goed geld met het verhandelen van zogenaamde 'hitten': kleine, maar sterke paarden die voor de oorlog volop werden gebruikt in de handel en het transport. Ze verhandelden hun paarden op markten in Noord-Frankrijk, België en Nederland. Een aantal van hen, onder wie de familie Petalo, zou voorgoed in Nederland blijven. In mei 1944 zijn Roma en Sinti bij een razzia opgepakt en via Westerbork naar Auschwitz gestuurd. Van de 245 Nederlandse Roma en Sinti zouden er slechts zo'n dertig overleven.

Van
Naar
HA 123 Troepen van het KNIL in een Australisch trainingskamp voor speciale training

Molukse soldaten in het Koninklijk Nederlands-Indische Leger (KNIL)

Na 1800 werd Indië officieel een Nederlandse kolonie. De naam veranderde toen in Nederlands-Indië. De V.O.C. werd opgeheven en haar bezittingen werden overgedragen aan de Nederlandse staat. In de plaats van het V.O.C.-leger kwam er een Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Zeelui die in dienst waren geweest van de VOC, kwamen nu in dienst van de Nederlandse staat. Het bleef overigens veel moeite kosten om voldoende personeel te vinden. Het KNIL richtte zich actief op werving dichtbij, namelijk in België en Duitsland, maar ook in andere landen zoals Zwitserland en zelfs in Ghana werden soldaten voor het Indische leger geworven. Bekend zijn ook de Molukkers die voor het KNIL werkzaam waren.

Molukkers vochten voor Nederland in de buitengewesten van Nederlands-Indië. Met de opkomende nationalistische beweging in de jaren twintig en dertig van de 20e eeuw koos een deel van de Molukse bevolking de nationalistische kant en werden de Ambonese KNIL-militairen als verraders gezien, omdat ze trouw bleven aan Nederland. In die hoedanigheid vochten ze ook mee aan de Nederlandse kant in de koloniale oorlog tegen de nationalisten in de jaren 1945-1949.

Opheffing KNIL

Als gevolg van de onafhankelijkheidsverklaring in december 1949 werd het KNIL in juli 1950 opgeheven en werden de inheemse soldaten voor de keus gesteld uit dienst te gaan of onderdeel te worden van het Indonesische leger. Voor veel Molukkers waren dit geen aantrekkelijke opties. De meesten waren op dat moment op Java en wilden gedemobiliseerd worden op Ambon om zich aan te sluiten bij de onafhankelijkheidsbeweging RMS (Republik Maluku Selatan) onder leiding van Chris Soumokil. Nederland wilde de verhouding met het net ontstane Indonesië echter niet verstoren en weigerde aan deze wens te voldoen. In plaats daarvan kozen de Molukse militairen op advies van de RMS-delegatie in Nederland voor een tijdelijk verblijf in Nederland. En zo arriveerden tussen maart en juni 1951, 3578 militairen, met hun gezinnen (in totaal 12.500 personen) in Nederland, waar ze vervolgens tegen hun zin in gedemilitariseerd werden. 

Aanvankelijk gingen zowel de Molukkers als de overheid uit van een tijdelijke verblijf en werden zij om die reden geïsoleerd gehuisvest in kampen door heel Nederland. In de loop van de jaren vijftig bleek dat een snelle terugkeer naar de Molukken politiek onmogelijk was en werd langzaam maar zeker, en voor velen pijnlijk, duidelijk dat hun toekomst in Nederland zou liggen  

Periode
Van
Naar

Dienstbodes uit Oostenrijk

Tussen 1920 en 1940 kwamen er bijna 200.000 buitenlandse vrouwen naar Nederland om hier als dienstbode te werken. De meesten bleven maar kort en er was een groot verloop, maar op het hoogtepunt begin jaren '30 verbleven er wel 30.000. De grote meerderheid kwam uit Duitsland, een klein deel uit Oostenrijk, Tsjecho-Slowakije en Joegoslavië. De Randstad trok de meeste dienstbodes aan. In steden als Amsterdam, Den Haag, Haarlem en Hilversum woonden grote aantallen Duitse dienstbodes. Zij kwamen naar Nederland omdat Duitsland er na 1918 slecht aan toe was en veel mensen werkloos waren. In Nederland was volop werk voor dienstbodes. Dit beroep was bepaald niet populair onder Nederlandse vrouwen. Zij werkten liever in een fabriek of winkel waar ze meer verdienden en meer vrijheid hadden. Buitenlandse dienstbodes werden daarom met open armen ontvangen. Tienduizenden van hen zijn met Nederlandse mannen getouwd waardoor ze automatisch de Nederlandse nationaliteit kregen en een Nederlandse achternaam, en als immigranten grotendeels onzichtbaar zijn gebleven.

Naar

Sinti uit Duitsland

Al vanaf de jaren '30 van de 19e eeuw kwamen geregeld Duitse en Belgische gezinnen naar Nederland die de kost verdienden met het maken van muziek op straat en in cafés. Daarna met het vertonen van allerlei kunsten. Lange tijd vielen zij nauwelijks op, omdat ze in herbergen en bij boeren en in logementen verbleven. Toen aan het einde van de 19e eeuw de woonwagen opkwam, gingen zij - zoals veel Nederlanders - steeds meer over op deze nieuwe mobiele woonvorm. Pas in de loop van de jaren '20 ging de marechausse ertoe over om hen ook als 'zigeuners' te bestempelen. In hun ogen waren het immers ook rondtrekkende gezinnen met een buitenlandse achtergrond. Hoewel sommigen zich stelselmatig aan diefstallen en oplichting schuldig maakten, verdienden de meesten eerlijk de kost met het maken van muziek. Vaak op straat, maar steeds meer ook met orkesten in grand-café's en restaurants. In de oorlog kwamen zo'n 200 van hen om in Auschwitz, omdat de Nazi's hen, net als joden, als een minderwaardig ras beschouwden. Vanaf de jaren '70 staat deze groep bekend als 'Sinti' en tegenwoordig worden hun belangen door een eigen vereniging behartigd. Bekende Sinti-orkesten zijn het koninklijk zigeunerorkest Tata Mirando (van de familie Weiss), Gregor Serban, Lajos Veres, de Basili's en het Rosenberg trio.

Van
Naar

Pendelmigratie tussen Nederland en Suriname

In de koloniale periode vond veel pendelmigratie plaats tussen Suriname en het moederland Nederland. Tot de 19de eeuw vertrokken Nederlandse plantagehouders en bestuursfunctionarissen tijdelijk naar Suriname. Tijdens hun verblijf in de kolonie hadden bestuurders recht op enkele maanden verlof in Nederland. Zij reisden dan in familieverband naar Nederland, vaak in gezelschap van slaven en soms zelfs ex-slaven of Indianen. Zij gingen niet altijd terug naar Suriname. Toen in de 19de eeuw de plantagelandbouw in een crisis raakte, keerden steeds meer Nederlandse plantagehouders terug naar Nederland. Surinaamse joden en kleurlingen namen hun banen over. Ook zij kwamen regelmatig op verlof in Nederland. Nederlandse bestuurders bleven pendelen. Daarnaast maakte een aantal missionarissen de oversteek naar Suriname. Dit waren katholieken en Hernhutters. In de 20ste eeuw keerden niet meer alle migranten terug naar Suriname na hun verlofperiode. Sommigen besloten permanent in Nederland te blijven. Ondertussen klommen Surinamers van Indiase en Indonesische afkomst op in de Surinaamse samenleving. Ook sommigen van hen vertrokken naar Nederland. Gedurende de eerste helft van 20ste eeuw groeide het aantal Surinamers in Nederland gestaag. Na de Tweede Wereldoorlog nam hun aantal snel toe.

Naar
Kolonialen op weg naar Indië, 1896

Duitse soldaten in het Koninklijk Nederlands-Indische Leger (KNIL)

Na 1800 werd Indië officieel een Nederlandse kolonie. De naam veranderde toen in Nederlands-Indië. De V.O.C. werd opgeheven en haar bezittingen werden overgedragen aan de Nederlandse staat. In de plaats van het V.O.C.-leger kwam er een Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Zeelui die in dienst waren geweest van de V.O.C., kwamen nu in dienst van de Nederlandse staat. Het bleef overigens veel moeite kosten om voldoende personeel te vinden. Het KNIL richtte zich actief op werving dichtbij, namelijk in België en Duitsland, maar ook in andere landen zoals Zwitserland en zelfs in Ghana werden soldaten voor het Indische leger geworven. Bekend zijn ook de Molukkers die voor het KNIL werkzaam waren.

Van
Naar
Winkel van C&A Brenninkmeijer

Duitse handelaren en winkeliers

Tussen 1850 en 1900 reisden Duitse handelaren naar Nederland om aan de bevolking allerlei goederen te verkopen. Deze marskramers uit met name het Munsterland stopten hun knapzakken, rugzakken en manden zo vol als ze konden en trokken door het land. Een klein deel van hen vestigde zich permanent in Nederland en opende winkels. Enkele bekende warenhuizen als C&A en V&D werden in deze periode door voormalige Duitse marskramers opgericht.

Een van de belangrijkste winkels in de 19e eeuw was de winkel van Sinkel. Toen de Duitse migrant Anton Sinkel in 1839 zijn winkel in Utrecht opende schreven de kranten dat deze winkel het 8e wereldwonder was. Zoiets moois had het winkelende publiek nog nooit gezien. De winkel was groot. Bij de winkel hoorde ook een groot kosthuis, waarin het personeel woonde. Het personeel was in de leer en begon na enkele jaren eigen winkels. Hieruit kwamen bekende winkelketens voort zoals Peek & Cloppenburg. De winkels van de Duitse migranten veranderden het aanzien van de Nederlandse binnensteden. In de binnenstad kwam een lint van moderne, hel verlichte en mooi ingerichte winkels. Daarmee ontstond ook een nieuwe gewoonte in Nederland. Mensen gingen winkelen, niet per se om iets te kopen, maar om te kijken en gezien te worden. Niet alle handelaren begonnen een winkel. Veel handelaren verkochten hun waren aan de deur, op straat of op de markt.

Periode
Van
Naar