Periode

1945-heden

Het aantal migranten in Nederland nam in de tweede helft van de 20ste eeuw sterk toe. Aan het eind van de eeuw lag het aandeel van migranten in de bevolking zelfs weer op het niveau van de Republiek in de zeventiende eeuw. Uit de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog verrees een zeer welvarend Nederland, dat veel migranten aantrok. De migranten kwamen uit andere landen dan in vroegere perioden. Weliswaar vormden Duitsers, net als voorheen, lange tijd de belangrijkste groep migranten, maar na 1960 vormde hun aantal nog maar een fractie van de grote groep vreemdelingen in Nederland. De economische groei in het Westen trok veel arbeidsmigranten aan. Zij kwamen eerst overwegend uit Europese landen, daarna van buiten Europa. Goedkope en makkelijke transportverbindingen droegen hieraan bij. Door de onafhankelijkheid van de koloniën in Oost en West kwamen veel migranten uit die delen van de wereld naar Nederland. Politieke vluchtelingen kwamen eveneens uit alle delen van de wereld. De ontwikkeling en uitbreiding van de Europese Unie leidden tot de komst van inwoners van andere lidstaten.

Over Vietnam en de bootvluchtelingen

Vietnamese bootvluchtelingen

Na 1975 ontvluchtten ongeveer 2 miljoen Vietnamezen hun land, merendeels in zeer gammele bootjes. Ze werden overvallen door Thaise piraten en een deel van hen verdronk in de Golf van Tonkin. Een drama voor de Vietnamese kust zorgde dat Vietnamese vluchtelingen in Nederland in het centrum van de belangstelling kwamen te staan. In de vroege ochtend van 23 juni 1979 werd een bootje met meer dan driehonderd vluchtelingen aan boord vastgemaakt aan de ankerkabels van het Nederlandse schip Neddrill 2, dat voor de Vietnamese kust naar olie boorde. De vluchtelingen vroegen om hulp. Aan boord van de Neddrill 2 leidde dat tot heftige discussies, totdat het bootje plotseling begon te zinken. De bemanning van de Neddrill 2 kwam de vluchtelingen met alle middelen te hulp, maar kon niet verhinderen dat tachtig mensen voor hun ogen verdronken.

De Vietnamese overheid eiste dat de overige vluchtelingen in Vietnam aan land werden gebracht en stuurde een kanonneerboot om het verzoek kracht bij te zetten. Cees Hoek, kapitein van de Neddrill 2, weigerde de vluchtelingen over te dragen. Er werd een schip gekocht, waarmee de vluchtelingen naar veilige internationale wateren moesten worden gebracht. De Vietnamese overheid stemde hiermee in. Zodra de vluchtelingen echter aan boord van het schip waren, dwong een schip van de Vietnamese marine het met schoten voor de boeg om alsnog naar Vietnam te varen. Daar werden de mannen van de vrouwen en kinderen gescheiden en allemaal werden ze vastgezet. Er volgde een periode van onderhandelingen en uiteindelijk mochten deze vluchtelingen begin september per vliegtuig naar Schiphol vertrekken. Het hele drama werd door de Nederlandse pers nauwlettend gevolgd, en dat leidde tot sympathieke reacties op de komst van deze vluchtelingen.

Periode
Van
Naar

Tamil-vluchtelingen

In 1985 kwamen 3.500 vluchtelingen uit het noorden van Sri Lanka naar Nederland. Het waren voor het grootste deel jonge mannen van een minderheidsgroep in Sri Lanka, de Tamils. Vanwege vervolgingen en discriminatie maakten 130.000 Tamils de oversteek naar India en kwamen vervolgens tienduizenden naar Europa. In Nederland vroegen zij asiel aan. Een enkeling verwees naar de oude Nederlandse band met Nederland, maar niemand in Nederland leek zich dat te herinneren.  Nadat bekend werd dat asielverzoeken waarschijnlijk werden afgewezen, vertrokken 1.500 Tamils uit Nederland. In de media was ongekende belangstelling voor de Tamils, merendeels niet positief. De komst van de Tamils leidde tot een belangrijke wijziging in de opvang van asielzoekers.

Periode
Van
Naar
Verjaardag met pom

Surinaamse migranten tijdens en na de dekolonisatie

In 1973, tijdens de arbeidsonrust en stakingen in Suriname, was er al een uittocht naar Nederland op gang gekomen van 10.000 Surinamers. Het vooruitzicht van de onafhankelijkheid op 25 november 1975 bracht in de daaraan voorafgaande maanden een ware exodus van 40.000 mensen op de been. Een laatste grote migratiegolf volgde vier jaar later. Op dat moment was de economische situatie in Suriname alarmerend en bovendien zouden na 1980 de soepele toelatingsregels niet langer meer gelden. Ongeveer de helft van de Surinaamse bevolking is uiteindelijk naar Nederland gekomen. Op zich kwamen al veel langer Surinamers naar Nederland, maar nooit in die enorme aantallen. Aanvankelijk kwam men vooral om onderwijs te volgen. Rond 1970 kwamen velen echter vooral omdat er in Suriname nauwelijks werk was. Tot in de jaren zestig waren de meeste migranten Afro-Surinamers (Creolen), die in het algemeen een betere opleiding hadden genoten. Het beeld veranderde echter begin jaren zeventig, toen Afro-Surinaamse politici aanstuurden op een snelle onafhankelijkheid. Hindostaanse en Javaanse Surinamers vreesden dominantie van Afro-Surinaame in een onafhankelijk Suriname. Als reactie daarop migreerden zij in grote getalen naar Nederland.

Periode
Van
Naar

Studenten van Curacao

Het aantal Antilliaanse studenten in Nederland groeide in de jaren '60 en '70. Zij werden politiek actief en gaven bladen uit als 'Kontakto Antiyano', waarin de onafhankelijkheid van de Antillen werd gepropageerd. Begin jaren zeventig was er een netwerk ontstaan van Antilliaanse welzijnsorganisaties in Nederland, die studenten maar ook arbeidsmigranten begeleidden tijdens hun verblijf alhier. Tot in de jaren tachtig waren onder de Antillianen en Arubanen die naar Nederland kwamen de beter opgeleiden sterk vertegenwoordigd. De meesten kwamen alleen, vaak om een opleiding te volgen. Hun verblijf was over het algemeen tijdelijk. Tot de jaren '80 keerde jaarlijks één op de tien Antillianen terug naar het eiland van herkomst.

Periode
Motief
Van
Naar

Studenten van Aruba

Het aantal Antilliaanse studenten in Nederland groeide in de jaren '60 en '70. Zij werden politiek actief en gaven bladen uit als 'Kontakto Antiyano', waarin de onafhankelijkheid van de Antillen werd gepropageerd. Begin jaren zeventig was er een netwerk ontstaan van Antilliaanse welzijnsorganisaties in Nederland, die studenten maar ook arbeidsmigranten begeleidden tijdens hun verblijf alhier. Tot in de jaren tachtig waren onder de Antillianen en Arubanen die naar Nederland kwamen de beter opgeleiden sterk vertegenwoordigd. De meesten kwamen alleen, vaak om een opleiding te volgen. Hun verblijf was over het algemeen tijdelijk. Tot de jaren '80 keerde jaarlijks één op de tien Antillianen terug naar het eiland van herkomst.

Periode
Motief
Van
Naar
Studenten uit Suriname

Studenten uit Suriname

Het onderwijsstelsel in Suriname was lange tijd beperkt. Ook in de 20ste eeuw konden Surinamers er bijna geen beroepsopleiding volgen, laat staan een universitaire studie. Voor kinderen van witte Nederlanders was het gebruikelijk om voor een studie naar Nederland te gaan. Toen Surinaamse joden en mensen van kleur betere posities in de samenleving begonnen in te nemen, kregen ook hun nakomelingen de kans om zich in het vaderland overzee verder te bekwamen. Vanaf ongeveer 1950 kwamen groepjes Afro-Surinamers (Creolen) naar Nederland om een opleiding te volgen. Nog iets later, in de jaren zestig, kwamen Javaanse en Hindostaanse inwoners over. Omdat er in Suriname weinig werk was voor hoogopgeleiden, vestigden veel Surinamers zich na hun studie in Nederland.

Motief
Van
Naar
Hongaarse vluchtelingen worden door leden van het Rode Kruis opgewacht

Hongaarse vluchtelingen

Op 4 november 1956 viel de Sovjet-Unie Hongarije binnen. Het leger moest een eind maken aan massale demonstraties van opstandige Hongaren tegen het communistisch regime. Door het optreden van het Russische leger sloegen 225.000 Hongaren op de vlucht. De meeste vluchtelingen kwamen uit Boedapest. Het overgrote deel ging naar Oostenrijk. Een klein deel stak de grens met Joegoslavië over. Het Internationale Rode Kruis ving hen op in vluchtelingenkampen. De motieven om de grens over te steken waren niet uitsluitend van politieke aard. Hongarije was een arm land, en in het buitenland was veel meer werk te vinden en geld te verdienen. Het Hoge Commissariaat voor Vluchtelingen van de Verenigde Naties vroeg Nederland en andere landen om Hongaarse vluchtelingen op te nemen. Nederland liet daarop uiteindelijk 3300 Hongaarse vluchtelingen toe.

Naar Nederland

Minister-president Willem Drees pleitte in de Tweede Kamer voor het ruimhartig toelaten van Hongaarse vluchtelingen: "In Nederland leven ten aanzien van hetgeen in Hongarije is overkomen wellicht nog sterkere gevoelens dan in andere vrije landen, omdat de banden tussen Nederland en Hongarije dikwijls zo sterk zijn geweest. Ik denk daarbij onder andere aan de Hongaarse kinderen, die indertijd in Nederland hebben vertoefd. Ongetwijfeld zal intussen het Nederlandse volk alles aangrijpen om te doen wat mogelijk is om op positieve wijze van zijn medeleven te getuigen." De Nederlandse regering besloot uiteindelijk niet meer dan 2.000 Hongaren toe te laten voor permanente vestiging. Begin december werd dat aantal verhoogd tot 3.000. Op 15 november 1956 arriveerde de eerste trein met vluchtelingen in Utrecht, die werden opgevangen in de Jaarbeurs. In de weken erna volgden meer treinen met Hongaren.

Selectie

De Nederlandse regering wilde zelf beslissen welke vluchtelingen uit Hongarije zij zou toelaten. Samen met een arts vertrokken vertegenwoordigers van de ministeries van Sociale Zaken en Justitie naar Oostenrijk, waar vluchtelingenkampen waren ingericht. Dit team selecteerde de vluchtelingen met bestemming Nederland, waarbij Hongaren met familie in Nederland voorrang kregen. Verder werd geprobeerd zoveel mogelijk vluchtelingen uit dezelfde stad of streek te selecteren. Men bekeek echter ook welke vluchtelingen geschikt zouden zijn voor de Nederlandse arbeidsmarkt. De Hongaarse vluchteling Robert vertelde over het bezoek van de minister van Maatschappelijk Werk, Marga Klompé, aan een vluchtelingenkamp in Oostenrijk. Zij zocht volgens hem mannen die jonger waren dan 25 jaar. Ze zette die de volgende dag zelf op de trein naar Nederland.

Hulporganisaties

De Nederlandse regering besloot weliswaar Hongaarse vluchtelingen toe te laten, maar de opvang en financiering liet zij over aan particuliere hulporganisaties. Hongaarse vluchtelingen konden rekenen op grote steun onder de Nederlandse bevolking, want de verontwaardiging over de Russische onderdrukking in Hongarije was groot. Al snel na de opstand in 1956 werd bijvoorbeeld het Nationaal Comité Hulpverlening Hongaars Volk opgericht. Dit comité haalde geld op bij de Nederlandse bevolking voor de opvang van de vluchtelingen in Nederland. Ook gaf het hulp aan Hongaren in de vluchtelingenkampen in Oostenrijk.

Kerk in actie

Ook de kerken in Nederland protesteerden tegen de Russische inval in Hongarije. De Nieuwe Leidsche Courant berichtte op 10 november 1956: ’De Christenen in de hele wereld zijn ten diepste geschokt en ontzet over de tragische ommekeer, die het Hongaarse volk te lijden heeft, dat zo duidelijk zijn verlangen naar vrijheid en onafhankelijkheid in het nationale en het kerkelijke leven te kennen had gegeven.’ In zowel protestantse als katholieke kerken werden collectes gehouden voor de Hongaarse vluchtelingen. Ook werd opgeroepen tot gebed. Grote inspanning leverde het Nederlands Rooms Katholiek Huisvestings-Comité. Dit comité ondersteunde vooral het werk in de vluchtelingenkampen in Oostenrijk, maar bood ook hulp aan Hongaarse vluchtelingen in Nederland.

Hongaren op doorreis

De 3.000 Hongaarse vluchtelingen die tot Nederland werden toegelaten, zijn niet allemaal gebleven. Een deel vertrok weer. Zij gingen vaak niet terug naar Hongarije, maar reisden door naar bijvoorbeeld de Verenigde Staten. Buiten de vluchtelingen uit de kampen liet Nederland ook Hongaren toe die zich wilden verenigen met hun gezin. Het ministerie van Justitie besloot per geval of iemand in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning. Daarnaast was Nederland gastland voor 2.000 Hongaarse vluchtelingen die op doorreis waren naar Canada. Zo verbleef een groep begin 1957 in bungalowpark Twenhaarsveld bij Holten. Zij waren in Oostenrijk geselecteerd om naar Canada te gaan en vertrokken ook inderdaad na drie maanden per boot.

Periode
Van
Naar

Ghanese migranten (1970-2000)

Vanaf halverwege de jaren ’70 trokken veel Ghanezen weg uit hun land vanwege de slechte economische situatie. Naast de VS en Canada, trokken veel Ghanezen richting Europa, in het bijzonder naar Engeland. Toen Engeland de immigratieregels verscherpte, week een deel van de migranten uit naar Nederland. Dit betroffen voornamelijk ex-zeelieden, handelaren en avonturiers. Een aantal van hen kwam in de prostitutie terecht. In 1975 konden velen van hen die ongedocumenteerd in Nederland verbleven gebruik maken van het in dat jaar afgekondigde ‘generaal pardon’. Hierop konden ook de gezinnen die nog in Ghana of Nigeria verbleven nareizen.

Periode
Van
Naar
Mijnwerker Franci Domevček (vooraan, vijfde van rechts, liggend op zijn linker zij) met collega’s voor de Oranje Nassau 3 in Heerlerheide (jaren dertig)

Gastarbeiders uit voormalig Joegoslavië

Nederland sloot in 1970 een wervingsakkoord met de regering van de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië. Er werkten al veel Joegoslaven in het buitenland (in 1971 19,1% van de beroepsbevolking: 860.000 mensen). Naar Nederland kwam een vrij klein deel van de Joegoslavische emigranten (in 1971 0,1% van alle Joegoslavische arbeidsmigranten). Nederland wierf Joegoslavische mannen voor de scheepsbouw, de metaal- en staalindustrie. Joegoslavische vrouwen werden geworven voor de visverwerkende industrie, de leer- en textielindustrie, de sigarettenindustrie en voor de verpleging. De arbeidsmigranten waren vooral Kroaten, Serviërs en Macedoniërs. Tewerkstelling gebeurde via een centraal arbeidsbureau in Belgrado. De bedoeling van de Joegoslavische overheid was om sterke banden met de migranten te behouden en hun terugkeer te bevorderen. De werving van gastarbeiders in Joegoslavië wijkt af van die in andere landen vanwege het grote percentage vrouwen. De regels voor de werving werden anders uitgelegd voor mannen dan voor vrouwen en vrouwen werden meer in de gaten gehouden door werkgevers en overheid. Net als andere migranten zetten de Joegoslaven een groot aantal verenigingen op. Het uiteenvallen van Joegoslavië had ook gevolgen voor de verenigingen; ze vielen uiteen en werden opgeheven of gingen zich meer op delen van het voormalige Joegoslavië richten.

Periode
Naar
Mustafa Dokudur werkte bij de afdeling Salvage van Ford Amsterdam

Gastarbeiders uit Turkije

Tussen 1960 en 1973 kwamen 65.000 Turkse migranten naar Nederland. Zij waren vooral afkomstig uit het Midden en Zuidoosten van Turkije, waar veel werkloosheid heerste. Anderen werden vooral getrokken door het avontuur. De meeste Turken gingen aan de slag in Duitsland, dat al in 1960 actief Turken begon te werven. Sommige van hen werkten eerst daar en kwamen daarna naar Nederland. In 1964 sloot ook Nederland een wervingsverdrag met Turkije, waarna Nederlandse selectieteams zelf op zoek gingen naar arbeiders in Turkije.

Werving Turkije-Nederland 1964

Sommige Turkse migranten werkten eerst in Duitsland en kwamen daarna naar Nederland. In 1964 sloot ook Nederland een wervingsverdrag met Turkije, waarna Nederlandse selectieteams zelf op zoek gingen naar arbeiders in Turkije. Turken meldden zich bij het plaatselijke arbeidsbureau, dat de officiële registratie en de uitzending van Turkse werknemers regelde. Hier vond ook de keuring door Nederlandse bedrijven plaats. Ali herinnerde zich zijn angst voor een afkeuring: "De selectie was moeilijk. Je was ontzettend opgewonden. Ga ik wel of niet naar Nederland, dat ging steeds in je hoofd om." Het permanente selectiebureau van Nederland in Ankara, Hollanda Irtibat Bürosu, regelde de verdere procedure. De eerste werving richtte zich op geschoolde arbeiders uit de stad. Later verschoof de aandacht naar het binnenland, waar vooral ongeschoolde Turken woonden. Als in een bepaalde streek of gebied een werving succesvol was verlopen, keerden Nederlandse bedrijven vaak terug voor een vervolgwerving.

Lange dagen

In Nederland vonden gastarbeiders uit Turkije werk in de auto-industrie, de bouw, de metaal- en scheepsbouw, de textielindustrie en de schoonmaakbranche. Voor veel Turken bestond het leven hier uit niets dan werken. Zij maakten vaak lange dagen, met soms nachtelijke ploegendiensten. Omdat de Turkse gastarbeiders aanvankelijk niet van plan waren lang in Nederland te blijven, onderhielden zij nauwelijks sociale contacten. Neem Nuriye, die als schoonmaakster in het Groene Hart Ziekenhuis in Gouda werkte: "Ik heb altijd twee baantjes tegelijk gedaan. ’s Avonds poetsen in de keuken van het ziekenhuis, overdag maakte ik witlof schoon." Het werk mocht zwaar zijn, de arbeidsomstandigheden waren beter dan in Turkije, vond Nihat, die bij Spinnerij Nederland werkte. Hij vond bijvoorbeeld de machines veel beter onderhouden. Ook de kantine en de rookruimte waren beter dan in het thuisland. Bovendien waren de chefs in Turkije heel autoritair. Onder elkaar een sigaretje roken, thee drinken en een praatje maken was in Turkije ondenkbaar. Naarmate het verblijf van de gastarbeiders langer duurde, maakte menige Turkse migrant de overstap naar het zelfstandig ondernemerschap. In het straatbeeld verschenen Turkse koffiehuizen, supermarkten en, nog weer later, de belwinkels.

Bedrijfspensions en woonoorden

Werkgevers regelden de huisvesting van gastarbeiders uit Turkije die via werving naar Nederland kwamen. Zij werden meestal ondergebracht in grote bedrijfspensions en woonoorden. De Nederlandse Dok- en Scheepsbouw Maatschappij (NDSM]) had voor haar vele Turkse werknemers een groot woonoord laten bouwen in Amsterdam-Noord: ‘Atatürk’. Hier woonden ongeveer 270 mensen, verspreid over 34 slaapzalen. Ismail vond het samenwonen tegenvallen: "De één kwam laat terug uit nachtdienst of van het stappen, de ander snurkte of dronk." Sommige Turken gaven daarom de voorkeur aan een kamer bij particulieren. Ibrahim, afkomstig uit een rustig Turks stadje, vond het hotel waar hij was geplaatst veel te druk en werd zolderkamerbewoner bij een Nederlands echtpaar: Janet en Jack. Hij vond bij hen de warmte van een tweede familie. Turkse arbeiders die op eigen initiatief naar Nederland kwamen, hadden geen recht op woonruimte via de werkgever. Zij gingen vaak naar plaatsen waar al familie of dorpsgenoten woonden, in de verwachting dat die hen verder konden helpen. Dat verklaart waarom in veel Nederlandse steden een concentratie van migranten uit dezelfde Turkse regio is ontstaan. Zo komt in Dordrecht het merendeel van de Turken uit Felahiye en in Haarlem uit Emirdağ.

Turkse organisaties

Vóór de komst van Turken waren al veel gastarbeiders met een andere nationaliteit naar Nederland gekomen. Daardoor bestonden al verschillende organisaties waar ook Turkse gastarbeiders terecht konden. Toen hun verblijf langer duurde, kregen de Turkse gastarbeiders behoefte aan eigen organisaties. Zo ontstonden Turkse culturele verenigingen (Türk Kültür Merkezi) en politieke organisaties, zoals de politiek linkse Hollanda Türkiyeli Isçiler Birliği en de politiek rechtse Grijze Wolven. Ook richtten de Turken eigen sportverenigingen op, zoals de voetbalclub Türkiyemspor, en religieuze organisaties. Onder toezicht van Diyanet, het directoraat Godsdienstzaken van het Turkse Ministerie van Algemene Zaken, werden gebouwen in gebruik genomen als moskee.

Terugkeren of blijven?

In 1960 telde Nederland 22 Turken met een verblijfsvergunning. In 1965 was dit aantal opgelopen tot 9.000. De piek van de migratie van Turkse arbeiders naar Nederland lag in 1972. Daarna nam deze af, tot er drie jaar later helemaal geen gastarbeiders meer werden toegelaten. Toen de werving door bedrijven staakte, kwam er ook een einde aan het pendelen tussen Nederland en Turkije. Als Turken voortaan terugkeerden naar het thuisland, konden ze niet langer meer vrij naar Nederland komen. Een deel van de Turkse gastarbeiders is toen wel teruggegaan, maar het overgrote deel bleef uiteindelijk in Nederland. Zoals Mustafa uitlegde: "Omdat we binnen enkele jaren terug wilden gaan, werkten we extra hard en meer dan gewoon. We wilden zoveel mogelijk geld verdienen in een kort tijdsbestek. Maar we konden ons doel niet bereiken. Die enkele jaren werden al snel vijf jaar, tien jaar, dertien jaar. Je vond hier je draai, ging trouwen en kreeg kinderen en dan kijk je even naar achteren en wat blijkt: ben ik al 33 jaar in Nederland. En nog steeds denk ik niet aan teruggaan." Turken met een gezin in hun geboorteland besloten nu hun vrouw en kinderen te laten overkomen. Naast deze gezinshereniging was er ook sprake van  gezinsvorming, dat wil zeggen Turkse mannen die trouwden met een vrouw uit Turkije, die vervolgens naar Nederland kwam.

Periode
Van
Naar
Spanjaarden volgen een cursus bij Hoogovens

Gastarbeiders uit Spanje

Na Italië was Spanje het tweede wervingsland voor buitenlandse werknemers. Het wervingsverdrag voor Italiaanse gastarbeiders werd in augustus 1960 gesloten. Het wervingsverdrag tussen Nederland en Spanje kwam al een jaar later, op 8 april 1961 tot stand. In het kader daarvan kwamen begin jaren zestig grote aantallen Spaanse gastarbeiders naar Nederland. Hun herkomstgebieden waren vooral Andalusië en Extremadura. Spanjaarden hadden vaak meer dan één reden om naar het buitenland te vertrekken. Om te beginnen heerste er op het platteland armoede. Dat kwam ook doordat grootgrondbezitters de boerenbevolking arm hielden. Daarnaast was dictator Francisco Franco aan de macht en was het land politiek verdeeld. Veel Spaanse gastarbeiders werden dus niet alleen aangetrokken door de werkgelegenheid in West-Europa, maar ook door de politieke vrijheid.

Periode
Van
Naar